Search This Blog

Showing posts with label het leven. Show all posts
Showing posts with label het leven. Show all posts

Wednesday, 4 May 2016

Reflectie op Feminisme in het Midden-Oosten

Zoals wij weten is vrouwenonderdrukking een groot probleem in het Midden Oosten. Reacties daarop vanuit het Westerse ideaal van gelijkheid zijn echter niet afdoende om de problemen aldaar op te lossen. Dat heeft te maken met de aard en oorsprong van die onderdrukking. Ik zal dat duidelijk proberen te maken aan de hand van de situatie in Afghanistan, waar dit probleem het sterkste speelt. Ik zal beginnen door te schetsen welke ontwikkeling het Westen heeft doorgemaakt ten aanzien van de positie van de vrouw. . Vervolgens wil ik van daaruit tonen welke misvattingen bestaan  omtrent de mogelijkheid van  een feministische revolutie in , in dit geval, Afghanistan. Het doel is om te illustreren dat er meer aandacht besteed moet worden aan historisch relativisme om zo tot beter resultaat  te komen ten aanzien van vrouwenrechten op globaal niveau.

Het feministisch model van gelijkheid waar wij nu bekend mee zijn is  geworteld in de geschiedenis  van de Westerse beschaving. De eerste prominente verschijnselen ervan kunnen gezien worden tijdens de Industriële Revolutie. Gedurende deze tijd waren vrouwen immers bezig met het behalen van hun stemrecht. Het  sociale bewustzijn was namelijk veranderd onder invloed van  de democratisering van de maatschappij.  
Het  streven naar gelijkheid is iets wat zich manifesteerde in de Verlichting met name dankzij de Franse Revolutie, waar gelijkheid een van de drie idealen is waar men voor streed. Dit zette zich voort in de Industriële Revolutie, waar vrouwen zichzelf moesten inzetten in de fabrieken om te kunnen bijdragen aan het inkomen. De feministen die daaruit  voortkwamen waren vrouwen uit de middenklasse, die geen keus hadden, behalve te werken om te ontsnappen aan de heersende armoede. De Industriële Revolutie is zo belangrijk in de geschiedenis, omdat de mentaliteit rondom de seksen ter discussie werd gesteld. De wisseling die daar optreed komt voort vanuit het besef dat vrouwen veel van dezelfde capaciteiten bezaten als mannen, omdat de sociale situatie ze ertoe dwong om zich in bepaalde opzichten als ‘’De Man’’ te gedragen. Vrouwen die inderdaad hetzelfde werk konden verrichten als mannen waren bewijs genoeg om ervan uit te gaan dat de discriminatie op basis van geslacht puur onzin was. Niet alleen in het arbeidersleven overigens, maar ook de opkomende democratisering toonde aan dat vrouwen ook op psychologisch niveau weinig verschilden van mannen.
In de Twintigste Eeuw werd dit beeld van gelijkheid verder ontwikkeld totdat het in de jaren 60 weer een golf veroorzaakte middels de invloed die de existentialisten uitoefenden op West-Europa. De hoofdfiguur hierin was Simone de Beauvoir, die in haar ‘De Tweede Sexe’ pleitte voor de gelijkheid van vrouwen. Het hoofdthema was dat de klassieke rol van de vrouw berust op dogmatiek. Het ligt niet in de essentie van een vrouw besloten om zich op een bepaalde manier te gedragen. Dit is volgens haar door de eeuwen heen een misvatting geweest, wat nergens op gebaseerd is. In elk hoofdstuk valt ze een dogma aan en verklaart ten slotte dat vrouwen tot vrouw gemaakt zijn en niet als vrouw zijn geboren.
De ontwikkeling omtrent feminisme heeft in de hedendaagse cultuur ertoe geleid dat het merendeel van de feministen nog steeds het Beauvoiriaanse principe aanhangt. Namelijk dat veel van de eigenschappen die traditioneel als ‘’vrouwelijk’’ worden gezien in wezen onzinnig zijn.
Deze filosofie van het feminisme is niet zomaar ontstaan, maar komt voort uit een lange complexe geschiedenis, waarin de vrouw constant in een strijd tegen zichzelf en de maatschappij was. Ik vat de geschiedenis even kort samen om aan te tonen welke dialectiek zich afspeelde voordat we bij De Beauvoir’s gelijkheidsideaal konden uitkomen.
Het is overigens belangrijk om in je achterhoofd te houden dat wanneer je de Westerse filosofie benadert, je altijd te maken heb met een gevolgen van het christelijke denken. Dit is cruciaal, omdat de christelijke achtergrond van de filosofie iets is wat als een rode draad telkens terugkeert in het Westerse denken. Westerse filosofie staat altijd in verhouding tot Christendom, of het nu samenkomt met het christelijke denken of het zich ervan afzet, het is belangrijk om te weten dat al het denken dat volgt op de opkomst van het Christendom, bestaat in verhouding tot het christelijke denken.

De eerste bewegingen van het feminisme in het westen zijn moeilijk exact te markeren, omdat de geschiedenis altijd mooi in hokjes aan ons gepresenteerd wordt, terwijl dit in feite interpretatie is dat pas achteraf plaatsvindt. De werkelijkheid zelf is chaotisch, meerdere visies komen samen en je kan niet een groep complexe individuen tot een tijdsgeest samenpersen, omdat je ze dan tekort schiet met betrekking tot hun denken. Dit moet je in beschouwing nemen, wanneer je een methode van denken wilt toepassen op een andere maatschappij. De complexiteit waarmee de geschiedenis zich voltrekt is niet iets waar wij grip op hebben, de interpretatie wel. Deze interpretatie is geen reële weergave van de werkelijkheid echter, maar eentje die we kunnen gebruiken om grip te krijgen op de werkelijkheid. Neem je dit niet mee in je beschouwing, dan ben je naïef in je denken, omdat je dan als moderne feminist meent dat je de stappen die door geschiedenis heen zijn gemaakt in het Westen‘’enkel’’ hoeft over de dragen naar het Oosten en dat op mechanische wijze de modernisering zich vanzelf voltrekt.
Verder is het noodzakelijk te weten dat omdat het Westerse denken zich verhoudt tot het christelijke denken, er veel nadruk ligt op transcendentie. Vanaf Plato, die zaden plantte die later zich zouden ontpoppen tot het christendom tot aan de existentialisten, lag de nadruk altijd op het idee dat je jezelf moest overstijgen.
In de Plato’s filosofie, waarin de Ideeënwereld centraal staat is dit concept van transcendentie letterlijk genomen, waarbij je jezelf los moet koppelen van het aardse naar het hogere, het pure denken, wat losstaat van de lagere werkelijkheid.
Aristoteles zet dit voort door te zeggen dat de mens per definitie zijn essentie in het denken terugvindt. ‘’Animal rationale’’, noemt hij het. Een denkend dier. Het denken is hoger en onderscheidt ons van de rest van de dieren; het is onze natuur en we behoren dit vermogen te gebruiken.
In de Middeleeuwse filosofie draait het voornamelijk in het zoeken naar verklaringen voor de verhoudingen tussen mens en God, totdat in de Renaissance men weer teruggrijpt naar het klassieke denken.
De mens is dan wel meer gericht op het leven hier en nu op aarde, maar de filosofen die daaruit voortkomen zijn nog steeds filosofen die zich bezighouden met het systematiseren van de werkelijkheid. Denk aan Descartes en Kant, die doordat ze geloven in het systematiseren van de werkelijkheid, er een bepaalde mate van perfectie aan toeschrijven, waar wij als rationeel wezen toegang toe hebben.
Zelfs de breuk met de Verlichting richting de Romantiek draagt nog steeds het aspect van jezelf transcenderen. Een goed voorbeeld hiervan is de filosofie van Nietzsche, die pleit voor de Übermensch of Kierkegaard, die de drie levenshoudingen onderscheidt, waar je als mens doorheen moet.
Al met al is er altijd een bepaald streefdoel dat behaald dient te worden, wat niet in ons ligt, door een soort innerlijke ontvouwing naar iets buiten ons op weg is. Het is die constante duw van de vorige these naar de antithese, waarbij je tevreden bent met de synthese totdat je weer in rebellie komt tegen de tijdsgeest. Die beweging is de geschiedenis van de Westerse filosofie. Het Westerse denken is jezelf afzetten van een tijdsgeest naar de volgende in een constante rebellie tegen jezelf middels je omgeving. Hieruit vormt de individu; in de strijd tegen het zelf vormt zich het zelf keer op keer in een andere gedaante.
Kan je dit soort achtergrondinformatie negeren en zomaar je gang gaan en de highlights van een geschiedenis toepassen op een totaal andere cultuur, die een totaal andere ontwikkeling doormaakt met een totaal andere tijdsgeest?
Nee. Dat is naïef en kortzichtig. Je kunt niet de conclusies van de Westerse opvattingen rondom het feminisme nemen en dat op een cultuur plakken die totaal de mentale voorbereiding mist om die opvatting van het feminisme te accepteren. Als we naar het feminisme van het Westen kijken, met die kennis in je achterhoofd, dan zal je ook inzien dat de Westerse ideeën rondom het vrouwbeeld zijn ontstaan uit die constante drijf tegen de tijdsgeest, richting iets buiten het zelf, op een hoger niveau.
Ik neem dan de Renaissance als voorbeeld, waarin vrouwen in de kunst opeens een nieuwe positie kregen. Vrouwen werden bloot afgebeeld, naar het model van de Romeins-Griekse cultuur. Deze beweging is zo uitermate cruciaal, omdat het toont hoe de vrouwbeeld van een Middeleeuwse gesluierde maatschappij, naar een meer aardse opvatting ging.
De Maria werd vervangen door de Venus. De vrouw werd bloot afgebeeld, met als achterliggende idee dat ze mooi was, dat ze begeerlijk was. In de huidige maatschappij kan men dit als objectificatie opvatten, maar daarvoor moet proberen om uit de eigen tijdsgeest te stappen en eventjes de overgang tussen die twee periodes op zichzelf te analyseren. De vrouw werd omarmd voor het vrouw-zijn, ze werd vleselijk, ze werd iets wat getoond moest worden, iets wat noodzakelijk was voor het leven op aarde.
Deze fase heeft nog steeds niet plaatsgevonden in het Midden-Oosten en dan spreek ikzelf over Afghanistan, omdat ik daar het meest bekend mee ben. Het is nog steeds schande het vrouw-zijn te omarmen, laat staan jezelf tegen de traditionele beeld van ‘’de Vrouw’’ af te zetten zoals de Beauvoir en haar volgelingen doen om vervolgens gelijkheid te eisen.
De Afghaanse cultuur kampt met een ander probleem rondom het feminisme en moet ook totaal anders benaderd worden. Gezien de geschiedenis van Afghanistan is het ook onzinnig om de Westerse opvatting van het feminisme toe te passen, omdat de onderdrukking die daar plaatsvindt juist ten dele datgene is waar De Beauvoir en de hedendaagse feministen voor pleiten.
De vrouwen worden daar juist ontdaan van de traditioneel vrouwelijke eigenschappen, zoals schoonheid, zachtheid, compassie, geduld, begrip en verdraagzaamheid om er een paar te noemen. Ook zijn de sociaal-culturele problemen die voortkomen in Afghanistan gestoeld op andere oorzaken. Afghanistan heeft geen Verlichting doorgemaakt en het gelijkheidsideaal dat kort aanwezig was tijdens de inval van de Sovjet-Unie is al snel vergeten met de komst van de islamitische regering.
Het onteigenen van de vrouwelijkheid heeft geen positieve werking overigens, omdat daarmee de vrouw nog meer misvormd gemaakt wordt dan het is.
Noch man, noch vrouw, leeft het daar als iets wat geen van beide is. Te misvormd om man te zijn, maar wel met het verlangen en Hij te worden. Ontrukt van het vrouw zijn, waardoor daarin ook geen ontplooiing mogelijk is. Onzijdig wellicht.
Erger nog, die eigenschappen, die als vrouwelijk gezien worden, raken verloren door de sociale omstandigheden of worden onderdrukt door de omgeving.
Gesluierd, de haren in een rommelige knot, kleren die alles bedekken zorgen ervoor dat alles wat ook maar een beetje duidt op de anatomie van de vrouw non-existent worden.
Gemutileerd in hun vrouwelijkheid kunnen de vrouwen alleen nog maar streven zichzelf te vermannelijken. Vanaf het moment dat ze geboren zijn, zijn ze enkel een object van de maatschappij en hun families, die schande kunnen brengen, wanneer ze ook iets van hun vrouwelijke kant laten zien. Dat wil zeggen bijvoorbeeld het verlangen naar seks, het verlangen naar mooier zijn, het verlangen bemind te worden, het verlangen je emoties te uiten, het verlangen vrij rond te lopen. Met andere woorden, het verlangen om jezelf in de wereld te kunnen zetten met de intentie je eigen je individualisme te tonen. Met vermannelijken bedoel ik niet in de zin dat de vrouwen ook tot mannen gemaakt worden, maar dat mannen dermate hoog in aanzien staan dat er bij vrouwen het verlangen gewekt worden om mannelijk te willen zijn; een afschuw richting alles wat vrouwelijk is. Zondig, vies, laag, nutteloos, waardeloos is vrouw zijn. Vrouwen kunnen of zichzelf haten voor het feit dat ze als vrouw zijn geboren, of de patriarchen haten voor wat ze in de maatschappij teweegbrengen. Het laatste is het lastigst, omdat je van jongs af aan al in de opvoeding een beweging wordt gemaakt richting bewondering voor het mannelijke. Zij zijn immers degene die werken, die hun ouders zullen opvangen, die vrij over straat kunnen (vergeet niet dat we met een islamitisch land te maken hebben), ze kunnen weinig doen wat onterend is voor de familie, ze kosten minder geld en ze leveren meer op.
De eerste reactie die gegeven wordt zodra men te horen krijgt dat er een meisje is geboren is zuchten. Wat zegt dat wat wel niet over hun maatschappij?
‘’De vrouw wordt opgesloten in de keuken en vervolgens verweten dat haar horizon gelimiteerd is. Haar vleugels worden eraf geknipt en men veracht haar dat ze niet kan vliegen.’’
-Simone de Beauvoir, De Tweede Sekse

Met vrouwelijk bedoel ik overigens vrouwelijk zoals in de klassieke traditie. Zoals terug te vinden is in Perzische poëzie en het postmodernisme, waar vrouwelijke dichters zoals Forough Farokhzad pleitten voor de uiting van het vrouw zijn. Vrouwen en mannen werden als ongelijk gezien, maar daar zat geen schaamte in, omdat beide seksen in hun individualisme compleet waren in zichzelf, onafhankelijk van de ander. Vrouw zijn staat voor vruchtbaarheid, zachtheid, schoonheid, emoties, natuur, ontvangend en verdraagzaam.
Het idee dat vrouwen en mannen gelijk moeten zijn in de ogen van de wet is zelfevident en daar pleit ik volledig voor, maar het probleem is juist dat in Afghanistan de vrouwen gedwongen worden te transcenderen de ander te zijn met als achterliggende gedachte dat hun vrouwelijkheid iets is om je voor te schamen.
Er wordt gezegd dat in andere landen zoals Iran en Egypte het feminisme ontwikkelend is, in Saudi-Arabië mogen vrouwen autorijden bijvoorbeeld. Dit is mooi, maar niet representatief. De reden hiertoe is dat dat de discriminatie onderling gaande in die landen gesmoord wordt doordat mensen een iets grotere gevoel van eenheid ervaren dan in Afghanistan. Ook taal en religie spelen een rol, want het is in bijvoorbeeld Egypte makkelijker  voor vrouwen om grotere saamhorigheid te ervaren. Dit mist in Afghanistan. De vrouwen in Afghanistan zijn een bijvoeglijk naamwoord.
Bijvoeglijk aan hun man, aan hun familie, hun taal, hun religie, hun cultuur, hun omgeving. Pas wanneer het idee van individualisme naar voren komt is het mogelijk om die gezamenlijk met andere individuen een groepsverband te beginnen tegen vrouwenonderdrukking.

Door deze genoemde problemen is het nu beter te begrijpen waarom de vrouwen daar zoveel moeite hebben om zichzelf te ontrukken aan de onderdrukking in de eerste plaats.
Het idee dat de vrouwen op Beauvoiriaanse manier naar gelijkheid moeten streven is absurd.
De Beauvoir heeft haar feministische principes geïntroduceerd aan de maatschappij van haar tijdsgeest. Ik heb net met mijn beschrijving van de geschiedenis aangetoond dat bepaalde idealen niet zomaar uit de lucht komen vallen, maar dat ze de som vormen van een reeks van ontwikkelingen die voor onze geboorte de weg hebben vrijgemaakt om deze opvattingen te kunnen hebben. De wereld van De Beauvoir was er mentaal beter op voorbereid. Gelijkheid was al iets wat sinds de Franse Revoluties zijn intrede had gedaan. Het was bijna onvermijdelijk dat na de industrialisatie van West-Europa en na het verwerven van stemrecht voor de vrouw, op een gegeven moment een filosofie moest komen die volledige gelijkheid eiste.
Wat het Westerse feminisme echter wil is dit zomaar spontaan op het Oosten toepassen. Daar komt het wel uit de lucht vallen, omdat die mentale voorbereiding er nooit is geweest. Het forceren heeft geen zin, omdat je geen overeenstemming bereikt. Niet in de zin dat je gelijk wordt gegeven, maar dat überhaupt de ander begrijpt waar je het over hebt.
Zonder die mentale voorbereiding die de geschiedenis ons heeft gegeven, heeft het geen zin om ook maar een poging naar volledige gelijkheid te maken, omdat niemand begrijpt waar je het over hebt.
Dit is de belangrijkste reden waarom het Westerse model van het feminisme niet toegepast kan worden in Afghanistan. De vrouw moet  eerst nog uit de Middeleeuwen gehaald worden richting de Verlichting om in  eerste instantie niet het vrouw zijn op zich als zondig te zien, maar om überhaupt haar menselijkheid te omarmen.

Wat kan de maatschappij in Afghanistan doen om dit probleem op te lossen? Allereerst ben ik van mening dathet niet enkel de schuld is van de maatschappij, maar ook ten delen aan de vrouwen zelf te wijten is. Het is weliswaar niet hun schuld dat ze in een bepaalde maatschappij opgroeien, maar waar ik ze wel van beschuldig is dat ze geen respect hebben voor zichzelf als mens, want dat is niet iets wat je van buitenaf opgelegd kan krijgen. Het feit dat de vrouwen geen besef hebben van eigen verantwoordelijkheid is geen absurditeit, wanneer je je leven lang gedragen wordt door je omgeving. Echter, die verantwoordelijkheid behoort erkend te worden om volwaardig mens te zijn. Om uit die eeuwige kinderlijke mentaliteit te treden, waarin je omgeving je ontwikkeling bepaalt. Dat besef wat in de Industriële Revolutie zo goed tot uiting kwam, is er nog niet in Afghanistan. Vrouwen zijn volwassen kinderen van de patriarchen.
Ik geef overigens toe dat het helemaal niet zo makkelijk is om daaruit te stappen. De feministische revolutie is iets wat eeuwen duurt om doorgevoerd te worden, maar de eerste stap is wel om in te zien dat je het vermogen hebt om te kunnen handelen, om in te kunnen zien dat je een individu bent dat in staat is verandering langzamerhand door te voeren. Doe je dit niet, dan vergooi je je individualisme en laat je je dragen door de maatschappij omtrent de keuzes die over jou gemaakt worden. Je vergooit je verantwoordelijkheid en je vermogen tot denken.
Een groot deel van de discriminatie komt immers ook voort uit vrouwen zelf, die dat dagelijks toepassen op hun dochters, familieleden, buurvrouwen en meisjes op straat.
De transcendentie van de vrouw daar moet niet gericht zijn om zichzelf te ontdoen van hun ‘’zondige’’ lichaam, maar om juist die te omarmen voor wat het is, omdat dat juist datgene is wat ze verboden wordt te doen. Dit is een van de problemen waar de vrouw in Afghanistan mee te kampen heeft. Een veel groter en moeilijker probleem is het taalprobleem.
Hoewel Afghanistan uit meerdere bevolkingsgroepen bestaat, zoals de Tajiks, Hazara’s, Pashutns, Uzbeken etc. om er maar een paar te noemen, is een veelal gebruikte taal het Dari, wat een variant is op het Perzisch. Dit wordt voornamelijk in Iran gesproken en het gebied eromheen.
Het Perzisch behoort tot de Indo-Europese tak en is daardoor eerder verwant aan het Frans, Duits en Nederlands dan aan het Arabisch, waar men het vaak mee verward wegens het gebruik van hetzelfde Arabische schrift.
Behorend tot een van de moeilijkste talen die momenteel gesproken wordt, is het moeilijk om het volledig grammaticaal en contextueel correct te spreken. Wanneer het correct gebruikt wordt kan het de interactie en  visie op de wereld alleen maar vergroten. Zo niet, dan heeft het juist het tegengestelde effect.
In de intellectuele kringen is er overeenstemming in taalgebruik en begrijpt men elkaar goed, maar zodra je verder van de sociale ladder afdaalt, zal je merken dat het taalgebruik exponentieel dermate slecht gebruikt wordt, dat mensen van verschillende landen van de lagere sociale klassen elkaar niet meer kunnen begrijpen.
In Afghanistan zie je dit probleem ook terug. Des te verder je afdaalt op de sociale ladder, waar de meeste vrouwenonderdrukking plaatsvindt, des te meer je inziet dat de taal op zo’n foutieve wijze gebruikt wordt, dat communicatie simpelweg soms wegvalt.
Een simpel voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld het woord ‘’عشق’’ (liefde). Hoewel het woord liefde betekent, zit er een erotische lading achter, waardoor het enkel gebruikt dient te worden tussen twee geliefdes. Echter, als je oplet, dan zal dit woord op de meest ongebruikelijke situaties toepast zien.
Een veel voorkomend voorbeeld is wanneer men het gebruikt om moederlijke liefde of vaderlandsliefde uit te drukken, terwijl daar andere woorden voor bestaan, die nooit gebruikt worden, omdat men dat ene woord zo vaak toepast op verschillende situatie, waardoor het gebruik algemeen geaccepteerd raakt.
Het is zelf evident dat iemand die een beter begrip heeft van taal ook een breder begrip van de werkelijkheid heeft en nuance verschillen bemerkt.
Natuurlijk ervaart iedereen de werkelijkheid en worden allerlei fenomenen je toegeschenen. Echter, taalvorming is niet enkel een passief gebeuren, maar iets wat interactief gebeurt.
Wanneer ik een kind op foutieve wijze aanleer dat een heel groep aan genuanceerde emoties tot een bepaald woord behoort, dan zal communiceren snel moeilijk worden.De reden hiervoor is dat wanneer iemand een bepaald woord probeert over te brengen, diegene een bepaald plaatje of gevoel in zijn of haar hoofd heeft. Als dat kind een bepaalde emotie heeft en dat aanduidt met een woord dat ik foutief aan allerlei emoties toeschrijf, dan weet ik natuurlijk niet welke emotie diegene bedoelt en kan ik daardoor een verkeerde lading in het gebruikte woord zien.
Dit zorgt er niet alleen voor dat er tussen twee of meerdere mensen geen communicatie meer mogelijk is, maar ook dat die individu zelf incompetent raakt.  Woorden en taal zijn namelijk ook nodig om te kunnen nadenken. Gedachtes formuleer je door taal correct op jezelf toe te passen. Zinnen worden in je hoofd uitgedacht en vervolgens worden de woorden aan de verkeerde begrippen gekoppeld, waarna er grote verwarring ontstaat over wat je eigenlijk bedoelt.
Wanneer dit niet op de correcte wijze wordt aangeleerd, dan heb je niet enkel slecht begrip op de werkelijkheid, omdat je niet de juiste woorden weet te gebruiken om jezelf uit te drukken, maar raak je ook nog een vervreemd van je eigen gedachtes. Het gevolg hiervan is dat omdat je jezelf niet kan uitdrukken in taal, je noodzakelijkerwijs een andere route moet kiezen. Een veel voorkomend middel is het emotioneel redeneren. Syllogismes, verbanden, redeneren, structuur, logica kunnen enkel plaatsvinden wanneer iemand het vermogen heeft om over de werkelijkheid na te denken.Gebeurt dat niet, dan ontstaat er een groep dat vol zit met impressies, gevoelens, beelden, die ze maar niet kunnen formuleren. Formuleren is immers niks anders dan het juiste begrip bij het juiste woord plaatsen.
Dit creëert, bewust of onbewust, een maatschappij die direct uit 1984 van George Orwell gekomen kan zijn, waarin Orwell duidelijk laat zien dat des te incompetenter de bevolking is in haar taalgebruik, des te makkelijker het is om die groep de overheersen.
De onderlinge discriminatie kan daardoor goed als middel gebruikt worden om het taalniveau onder de bevolking laag te houden. Het onvermogen dus om jezelf in een taal uit te kunnen drukken zorgt voor een sneeuwbaleffect.
Enfin, de Afghaanse maatschappij, voornamelijk de lagere sociale klassen, bestaat niet alleen door culturele redenen tot een groep die in zichzelf gekeerd is, maar door een onvermogen om zichzelf uit te drukken. Het niet kunnen toepassen van logische verbanden, overbrengen van gevoelens heeft zo’n negatief effect op de positie van vrouwen, omdat niemand het vermogen heeft uit die immanentie te transcenderen, om die eerste stap te maken naar kritisch redeneren over de positie van de vrouw.
De woekerende oorlog die nu al decennialang gaande is, heeft niks kunnen veranderen aan de educatie daar om deze onmondigheid op te lossen.
Dat niet alleen, maar ook de onderlinge discriminatie die gaande is over welke bevolkingsgroep het primaat vormt, voorkomt elke vorm van sociale en daarmee culturele ontwikkeling. Hierdoor blijft het taalgebruik achtergesteld, omdat er niemand is die de eerste stap kan maken om dit probleem te overstijgen, aangezien je de taal en begrip van de werkelijkheid nodig hebt om het taalprobleem überhaupt op te lossen.

Deze twee problemen moeten in beschouwing genomen worden, wil je überhaupt iets van verandering teweeg willen brengen in het Oosten rondom het feminisme. Het zal een lange strijd zijn, maar wel eentje die gaat werken. 

Sunday, 3 January 2016

The State III: The Process

The State III

The Process:
It is difficult to put phenomenons, that being social behavior,  into words. It is hard to be a confident writer and still produce essays or books that are completely true. I can see this in myself. I have read books and admired them, books that show no coherency to each other whatsoever, but somehow still manage to convince me that there is some truth in what the author is saying. It was in this small confrontation with myself, that I could sense the ambiguity.
How odd it was reading two completely different philosophers, who were opposites and still find yourself nodding in agreement, once you read their arguments and stream of thoughts.
With every book I read, I did not feel at all that I was being presented wisdom, rather I felt that I was being confronted with my own ignorance. With every book, conversation or lecture I became more aware of how shallow my thinking process in actuality is. The world is much bigger; the people inside it have much more going on inside their head than they show.
It struck me with every conversation and it still shows how incompetent I am when it comes to discussions, because there is always a part of me that can see the reasoning behind one's thoughts.
No matter what I say, due to the complexity of the world and its people, we are de facto wrong when it comes to choosing the way we want to life; it is difficult to evaluate which values are superior to others. Ideals in itself are brilliant and we will happily nod in agreement when one exclaims: ‘’Liberté, egalité et fraternité.’’ Yet, the methods to get there often make us blind to remember what even the ideals were we so proudly stood for.
What is the reason for the failure we go through as human species? Is it perhaps that what we see as noble, actually is a handicap of some kind?
Life is failure, without ever having had the opportunity to even see the finish line, we will never be victorious. It is always an inner struggle between wanting two things that contradict themselves, but on their own are flawless.
Individualism, socialism, chauvinism, humanism, nihilism, freedom of speech, mutual respect, values, freedom, morality, rebellion, diversity, unity, nobility, patience.
It is a harsh way to see life. One could say that, but I would object. However, there is still some small candle light at the end of the tunnel.
Even when I was confronted with my own ignorance, I had discovered that in some way there are certain truths that we all share, that instinctively feels right and just.
The idea that one becomes aware from the push and pull movements of life, is only possible when one takes a break from life itself and tries to transcendent whatever world he is living in. Seeing everything not from a biased view, but seeing the world as followed:
The realization that we are part of a big flux that connects one another, in which our existence bases itself upon the choices of the generation beyond us and that our choices form the base for the generation after us. With other words, there is a bigger picture than just that which fulfills our individual needs, but ambiguously we still need to take those individual needs into consideration.
That is such a hard task in itself and is sometimes too demanding.
Not too demanding at all if you ask me. The reason for this, is that coming to this realization takes the most essential part of human nature in question. The ability to think, to be an individual between the herd, yet be one with the herd based on your individualism.
It is true that social behavior and political movements base themselves on the idea that certain ideals are more true, because they fulfill the goal they want to achieve, but that does not mean that the ideas of the rival don’t have the same source.
They still do, there is always some truth in the other, even if it not presented in the desired way. The only way to see that we are all going after the same idea in life, is eliminating the passive thoughtless behavior that many have, that has its root in the inability or refusal to think, therefore denying one’s own individualism.
And why do they do so? The reason being that it is easier to let someone else carry you to the goal and blame it on him if the possibility is open to failure, instead of owning up to one’s own mistakes.

There is no blame in mistakes, but only in being too coward to make them and owning up to your responsibility. 

Sunday, 20 December 2015

Epistemologie Paper: Objectie tegen de Cartesiaanse Demon

Epistemologie Paper 

Stelling:  ''Het is niet noodzakelijk om een onderscheid te maken tussen de noumenale en de fenomenale wereld.'' 

·         Objectie:  
Het onderscheid tussen de fenomenale en noumenale wereld is met een goede reden gemaakt. In de antieke traditie was het verschil noodzakelijk om de kennisvoorwaardes te formuleren voor ons kenvermogen. De reikwijdte van ons kennen werd gelimiteerd tot de zogeheten ''fenomenale'' wereld. Dit was de wereld zoals die zich aan ons presenteerde, wanneer men gebruik maakte van diens zintuigen. De noumenale wereld is datgene wat in de Platoonse traditie als de ware werkelijkheid gepostuleerd werd. Dit was de werkelijkheid die onafhankelijk van de zintuigen bestond. De vraag die nu noodzakelijk gevraagd moet worden is deze: 
''Hoe kan men zeker zijn dat dit onderscheid ook redelijkerwijs gemaakt mag worden?'' 
Het onderscheid werd in de antieke traditie door Plato gemaakt. Het feit dat men in het particuliere het vermogen had om het abstractere en daarbij het volmaaktere te kennen, gaf genoeg steun om aan te nemen dat het bestaan van het abstracte ook bestaansrecht had die men kon kennen, omdat hij reeds gekend was. In de anamnesis (herinnering) kreeg het subject een Aha-Erlebnis, omdat er overeenstemming kwam tussen dat wat op particuliere wijze werd waargenomen en een bepaalde eidos (Idee of Vorm) dat in het subject besloten zat. Het was dus epistemisch noodzakelijk om te spreken van twee werkelijkheden om een weg te kunnen vormen naar het ware kennen.  

Het dubium over de zintuigen is dus geplaats. De ware werkelijkheid is tot op een bepaalde hoogte via de zintuigen kenbaar, maar voor echte kennis behoort men in contemplatie te gaan naar de begrippen die het fenomenale kenbaar maken. De vraag is wederom, hoe kan je opgesloten in je eigen ik, met enkel de zintuigen tot je beschikking, überhaupt tot zekere kennis komen over de noumenale wereld? Plato zou antwoorden dat men behoort na te denken met datgene dat even los staat van de materie als de transcendente begrippen, namelijk de rede.  
Echter, er zit een probleem in Plato’s Ideeënleer, die van te veel axioma's uitgaat, die men niet kan rechtvaardigen. Bijvoorbeeld, hoe neemt het particuliere deel aan het abstracte? Als de Ideeën intern in ons kennen besloten liggen, dan is er niet meer sprake van externe inwerking en is daarbij de voorwaarde voor een externe, abstracte werkelijkheid geëlimineerd. Aristoteles heeft de problemen verder uitgewerkt en opgelost door het kenvermogen te beperken tot datgene wat Plato ''de vergankelijke werkelijkheid'' zou noemen.  

De zoektocht naar een objectie schrijdt voort richting René Descartes. Aristoteles heeft veel problemen van de metafysica en epistemologie opgelost door het kenvermogen te verschuiven naar de materiële wereld en het daartoe te beperken. Echter, deze verandering van metafysisch wereldbeeld komt met een prijs. De axioma, die per definitie de grootste twijfel teweeg brengt, is juist die aanname, die überhaupt Aristoteles' kenwereld mogelijk maakt: de verheerlijking van de zintuigen.  
Descartes gaat als rationalist tegen dit empirisme in. Hij contempleert en komt tot een radicale conclusie, die de epistemologie deed veranderen. Volgens hem was het initieel onmogelijk zeker te zijn over wat dan ook. De meditaties brachten twijfel en vragen teweeg. Kan het zo zijn dat we dromen? Of wellicht bedrogen worden door een demon, die ons de werkelijkheid als rechtvaardig, maar onwaar doet toeschijnen? De enige toegang tot de werkelijkheid, die we hebben zijn de zintuigen. Er is immers niks wat ons in staat stelt om zeker te zijn dat ook die zintuigen niet ons bedriegen. Het is daarom meer dan noodzakelijk dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen de noumenale en fenomenale wereld om te kunnen twijfelen. Doen we dat niet, dan laten we de optie open dat we wellicht wel tot kennis kunnen komen die te rechtvaardigen is, maar die buiten ons kenvermogen, volledig mis is. 


·          Antwoord:
De filosoof die ik moet aanhalen bij de synthese tussen het enerzijds rationele probleem van ons kenvermogen, gepostuleerd door Descartes en anderzijds de empiristische, zoals Aristoteles, is Immanuel Kant. De versmelting manifesteert zich in het idee dat twee zaken noodzakelijk zijn om van kennis te kunnen spreken, namelijk het verstand en de waarneming. Beide zijn even noodzakelijk om kennis überhaupt mogelijk te kunnen maken. In het verstand zit structuren, die voorwaardea vormen om de a posteriori kennis mogelijk te maken. Ruimte en tijd zijn bijvoorbeeld nodig voor iets om kenbaar te zijn aan het verstand. Kant refereert naar dergelijke voorwaardes voor kennis als de categorieën. De categorieën kenmerken zich verder hierin dat ze eigenschappen zijn van het verstand en niet van de noumenale wereld. De categorieën vormen de reikwijdte van ons kenvermogen; ze maken het mogelijk, dat we premièrement in staat zijn van kennis te spreken. Echter, juiste deze zelfde categorieën vormen op ambigue wijze tegelijkertijd de grens van ons kenvermogen. Alles wat buiten de categorieën valt kan niet gekend worden door het verstand. Op deze wijze is het verstand begrensd en beperkt tot de fenomenale aanblikken van de werkelijkheid. 
Enfin, het is cruciaal om in te zien dat kennis enkel bestaat in overeenstemming, niet als een ontologische waarheidsbegrip.
Of zoals hijzelf mooi formuleert in Kritik der reinen Vernunft:

Begriffe ohne Anschauung sind leer, Anschauung ohne Begriffe ist blind
We hebben dus aangenomen van Kant dat kennis beperkt is tot de overeenstemming van de werkelijkheid met het verstand en dat op deze wijze alles wat buiten het verstand valt, wat hij het Ding an Sich noemt, noodzakelijkerwijs niet gekend kan worden.
Is het nu mogelijk om een objectie te geven aan het dubium van Descartes? Zeker.
Kant heeft zekerheid weten te geven aan de zintuigen, terwijl hij tegelijkertijd de twijfel van Descartes meebrengt op elegante wijze.
Zeker, we kunnen nooit het Ding an Sich kennen, de optie is open dat we bedrogen worden. Het kan dat buiten het kenvermogen van het verstand en de werkelijkheid, de noumenale wereld een leugen is.
Echter, wat Kant wel duidelijk maakt is dat we voor zover het kenvermogen ons toelaat, we een bepaalde mate van kennis kunnen vergaren, namelijk die binnen de categorieën van het verstand vallen.
Hierdoor borrelt bij mij dan de vraag op, waarom eigenlijk het onderscheid tussen twee werkelijkheden maken? Anders dan Plato, is de scheiding van de werkelijkheden niet eentje die metafysisch bestaansrecht hebben. Kant en Descartes postuleren de mogelijkheid van een noumenale wereld enkel als concept om de reikwijdte van het kennen te kunnen begrijpen, niet als transcendente volmaakte werkelijkheid.

En wanneer dus Kant de hypothese heeft gesteld van de fenomenale wereld en de noumenale wereld en hij heeft daarbij het kennen beperkt tot de fenomenale wereld, enkel ervan uitgaand dat de noumenale bestaat uit allerlei Dingen an Sich, dan is de noumenale wereld enkel ondersteund door de redenering die uitgaat van de noodzaak van een dergelijke wereld, omdat er anders niks is wat ons fenomenaal kan toeschijnen. Als dat de reden is dat het onderscheid gemaakt moet worden tussen een conceptuele noumenale wereld en een tastbare en bovenal epistemisch kenbare ‘fenomenale’ wereld, dan lijkt het me meer dan rationeel om het kennen te beperken juist tot die fenomenale wereld, omdat de notie van een noumenale wereld enkel tot onnodige redundantie leidt. Niet omdat het alleen praktisch is, maar omdat het categoriale kenvermogen dat van ons dwingt. 

Tuesday, 4 August 2015

De Stoa

De Stoa. Een filosofische stroming die de weerspiegeling was van het hedonisme van Epicurus. 
Een stroming waarin de ratio menner was van de paarden der verlangens. 

Ik schrijf dit stuk omdat het me pijn doet hoe negatief geladen het beeld is van de Stoa. Machinaal en pragmatisch, waarin menselijke emoties verdrukt worden tot het niets.  Nee, ik betoog juist dat de filosoof Seneca een helder beeld had van de menselijke gewenning en gewoontes, van onze gevoelens, verlangens en idealen. Teleurstelling en zelfverwijt.

Het eerste probleem waar we mee te maken hebben is de menselijke interpretatie. Vaak een zegen, wat de sociale interactie bevordert.
Echter wanneer we te maken hebben met oude denkbeelden, wereldbeeld en ladingen die de woorden hebben, moet ik grijpen naar de filosoof Wittgenstein, die het volgende meende: Woorden zijn niet enkel woorden die sociale interactie bevorderen, ze kunnen ook scheidend werken. De mens is in zijn opvoeding geprikkeld met de betekenis achter elk woord, of het nu concreet of abstract is. Maar aangezien we de mens als individu moeten nemen, is het meer dan logisch te concluderen dat hetzelfde begrip bij twee individuen een verschillend beeld opwerkt in de hersenen. Zo kan men over hetzelfde praten in de materiële wereld, maar is de abstracte wereld met zijn gedachtes bij totaal iets anders, waardoor miscommunicatie plaatsvindt.  Natuurlijk zijn we ons hier niet bewust van, omdat we menen hetzelfde begrip te hanteren. 
Dit is wat ervoor kan zorgen dat de Stoa als zielloos en machinaal geïnterpreteerd kan worden. Plaatst men het in de context, van tweeduizend jaar geleden, dan behaalt hij helder inzicht.
Want het is in deze maatschappij waarin men het neo-romantieke beeld van gevoelens niet kent, gevoelens die wij als muze van de  bohème zien.  Romantisch en menselijk, emoties die naar buiten gedragen moeten worden om onze individualiteit te bestempelen.  
Nee, dit is niet hoe men ernaar behoort te kijken. De Romeinse maatschappij was een maatschappij waarin sociale interactie het vaste principe was. Indivualiteit kende men niet omdat men deel was van het groter geheel, de Staat.
En voordat dit dystopische beelden van  Big Brother opwekt, realiseert u zich dat men de de Staat zag als speelruimte, als mogelijkheid tot zelfverwerklijking.
Dánkzij de maatschappij ben je wie je bent, dankzij de staat en de existentie van de ander heb jij een reden om elke ochtend op te staan en je in te zitten voor het leven.
Immers zoals Seneca zegt:

"Als we alle sociale interactie opgeven en breken met de mensheid, als we enkel en alleen leven voor onszelf, zitten we in een isolement dat geen enkele betekenis meer heeft. Met als gevolg dat we ook niks zinvols te doen hebben." 
-Seneca, Innerlijke Rust, blz.25

Op die wijze moet je de Romeinen zien als een onderdeel van de staat, mensen die constant in de gemeenschap leven en de druk ervaren van het handelen. Niet per se altijd direct voor de ander, maar wel op een zodanige wijze dat je nuttig bent voor zowel je zelf en de staat. En in die interpretatie van vrijheid zit de Stoa verscholen. Niet in onze neo - romantische beeld die enorm beïnvloed is door het existentialisme. Ik meen dus dat Seneca op een meta-niveau naar emoties kijkt en met zijn Romeinse beeld ontevreden is over de zaak. Net als veel andere Romeinen dat waren, waar ik ze geen ongelijk in kan geven. 
En ja, ongelijk kunnen we hem niet geven als we naar deze interactie kijken tussen mens, staat en innerlijke rust. Hevige emoties kunnen dan zeker averechts werken.
Seneca echter ontkent de relevantie van de emoties niet, maar soms kan men zich verliezen in zichzelf en de kijk op de zaak volledig achter laten.
Je mag zelfs je emoties ontarmen, omdat ze deel van je zijn, maar, let op, net als een schip op zee zijn er tijden waarin je in de storm je heldere verstand verliest en wild gaat handelen, terwijl juist dan je boven de storm moet stijgen om jezelf en de bemanning te redden.

Overigens is de moderne maatschappij vervallen in een soort hippie stadium, waarin verzet tegen elk vorm van discipline en richtlijnen gezien wordt als een beperking van de vrijheid, terwijl de opvatting hiervan onjuist is.
Niet is het beheersen van je emoties een beperking van de vrijheid, niet is het kunnen rationaliseren van je bestaan een beperking van vrijheid, niet is het willen zin geven aan je bestaan een beperking.
Ja, we gaan uiteindelijk allemaal dood (een vaak gebruikt argument), discipline en orde en handelen hebben dus geen zin.
Goed, nou en? 
Wil dat zeggen dat ik mijn bestaan de prullenbak in moet werpen? Wil dat zeggen dat ik moet ontkennen dat mezelf moet vervolmaken? Wellicht wel, maar dat doe ik niet. En wel om deze inspirerende uitspraak van Seneca:

"Niet durven doen wat je wilt of niet bereiken wat je wilt, blijven hopen en daar helemaal in opgaan. (...) Ja, zo krijg je mensen die hun eigen vrijheid haten. (...) En wat krijg je dan? Reizen zonder duidelijk doel, mensen die de kusten afzakken, nu eens over zee dan weer via land. (...)
Zoals Lucretius het zei:

"Op die manier vlucht ieder voor zichzelf."

We moeten dus beseffen, niet de locaties zijn ons probleem maar wijzelf. Wij zijn niet sterk genoeg om alles vol te houden. We kunnen niet langdurig tegen hard werk of leuke dingen of one zelf of wat dan ook. (...) door vaak van plan te veranderen kwamen ze weer uit op hetzelfde en hadden ze dus geen ruimte meer voor iets nieuws. Zo kregen ze weerzin van het leven, tegen de hele wereld, en rees bij hen dat decadente gevoel: "Meer van hetzelfde...Hoelang nog?"

En aangezien de wereld onze speelruimte is, onze enige kans misschien om iemand te zijn. Niet omdat het zinvol is voor de wereld,  of fuck it, zelfs voor de Staat of de Ander.
Nee, het gaat erom dat wij onszelf in dermate in waarde achten dat we onszelf en de zinloosheid ontarmen en kunnen inzien, ik mag elke kant opgaan die ik wil, want stilstaan kan ik ook na de dood. 

Tuesday, 30 June 2015

Contemplation During a Lonely Night


''Il y a des jours où Dieu est si loin, qu'il semble absent''
There are days where God is so far that he seems absent
-Simone de Beauvoir

Unfortunately for me He never felt present. Fortunately maybe, however that's hard to tell on days where you feel like a raindrop falling from far only to be hit by the solid cold ground.
Never have I felt more alone, than realising that growing up doesn't mean solely growing up as a child, but mentally as an adult.
God would be the father figure making sure that all goes well, that I am safe.
For now I feel like I'm an orphan of life. Nothing seems to satisfy me in the slightest. Even worse, I feel empty and joyless. Sucked and drained, but most of all I am afraid.
I barely have enough energy to enjoy anything, but just enough to spend my nights contemplating and worrying. Wasteful nights if you ask me.
Some people weren't made for human interaction, I think I'm part of them,
I never am more confronted with my loneliness and angst than in the middle of the joyful crowd.
I know that escaping and isolation are meaningless, but what else is there in life?
I believe that's indeed what we see as growing up and facing the challenges of a possibly meaningless and empty life, yet giving our all to it.
Amusing if you ask me, for I can't judge whether that's genius madness or mental madness.
Even now as I am writing I can finally sense a form of peace overwhelming me; I am safe.
It has the same cosy feeling I had when mother would hug me tightly before going to sleep, the same warmth, the same isolation inside my own little world.
Growing up is leaving the safe spot from mother's nest and moving on to sharing the bed with a dozen strangers at the off chance that one might be the one for you.
Is it bad? No of course not, for who is there to judge you and your choices?
To say what is right from wrong, to comfort you when you spend your nights crying and seeking for some kind of answer to your ignorance of life.
I sense a balance between not caring at all, very nihilistic of course and on the other side a lot of fear for the unknown. Fear for mistakes I might never forgive myself.
Indeed, there is no God to judge me, but that makes it worse because I know myself.
There where He would give me comfort and salvation, I would never forgive myself. Not because I am perfect, but because I would not be able to look myself in the eyes and see nothing but filth.
And suddenly I would lose my touch for existence, because I apparently never knew what it meant to be alive as I indeed made those mistakes.
They haven't happened yet, but this would indeed be how I would reason with myself.

Oh desperate times, lovely lonely times.
Please world, leave me at rest and I will never provoke you again. I too bear fault at being curious, but not being able to forsee and accept the consequences of my childish curiosity.
Eventhough I am very doubtful in terms of morality, I can't forgive myself for seeing the world and its people as my toys any longer.
I used to be nihilistic and an opportunist, only using the world to satisfy my own needs, but even that doesn't work as much as it should.
Therefor my subconsciousness only desires punishment of the Self.
Egocentric behaviour should be considered as a lonely act, therefor damned to a lonely existence.
And honestly, loneliness has never sounded more liberating.

Monday, 18 May 2015

The Student by The Bitter One (A Parody on Communistic Literature.)

The Student

By: The Bitter One

Weighed down by misery and looking at the grey sky our hero trudges towards home to consume the same meal that he has eaten for the last three days.
The muscles exhausted from sleep deprivation and fingers filthy from the ash and soot he joins the group of dreary looking students. Their shoulders are hanging low, deeply hidden in their high collars and with grave pace they move their cold feet, while leaving a deep trace of greyish wet snow behind.
Covered in a cloud of steam, the school spews the students out, who, after having served the school, will come back the next day to fulfill their mechanical duties once more.
Irritated and contemptuous grumbles could be heard among the students as they turned their head away from the last bell that indicated their temporary freedom.
The day has ended and the sun is slowly setting. The irritated grumbles turn into warm fiddle-faddle.
The classroom has sucked all energy out of our students and with apple-red cheeks their teeth are dripping with saliva, ready to attack the few pieces of bread their family can offer.
After many years of intense labor, most students have peace with the fact that there is no denying in the grave suppression they all have to undergo and that every step they take to end the day, is a step closer to their grave.
This is also true for our hero, for years of labor have robbed him from his appetite and his desire to drink warm wine.
Other days, when school has ended, the students speak to each other in a serious manner.
Never deviating from the grades and that which manifested itself the closest in their existence: the physical labor that has to be done to the fat-stomached schoolchiefs.
Rarely does a smile break through their monotone mannerism of speech and when this does happen on an unusual day, the aggression is compensated at home towards the younger sibling or parent who dare to ask them how their day was.
And after having lived like this for sixty-five years, they all die, knowing that they themselves have contributed the most out of all students to society.
So too would our hero have lived, as the most loyal worker of all.
He is the most handsome, the strongest and the most intelligent, but also impatient and rude towards any form of authority.
It so happened one day, that he comes across a very moody fellow student who makes a vile remark regarding his clothing.
Severe and disrespectful as he is, our hero responds the surly looking young lady.
Her piercing dark eyes look tired and she turns away from the nasty comeback our hero makes.
However, something is still bothering him, for he has noticed that there was some truth to her words.
There is indeed something wrong with the way he is dressed.
And you see, he tells himself, it’s not only me who is dressed this way, it is also the fellow student who made the moody remark and the students walking across the hallway.
She is right, he claims, indeed we are all dressed horribly.
Horribly the same.
And he notices the students, hungry like wolves, ready to revolt against the regime. Hungrily and impatient to feast on the corpses of their to be former schoolchiefs.
From that moment on, our hero knows what he is ought to do.
Burning with flames of desire, he makes a way through the thick layer of ash-grey know and as he throws his arms into the sky he exclaims:
‘’Comrades...!’’ he has just begun his sentence or a big crowd of students gather around our hero.
He looks at them in aw not knowing what to expect next.
And with grave disappointment he witnesses the most shallow act imaginable at that time and moment when they take out their mobile cellphones to film the spectacle.
Our hero feels at that exact moment all hope melt away and he lowers his arms in sadness.

His shoulders are hanging low, deeply hidden in his high collar and with grave pace he moves his cold feet, while leaving a deep trace of greyish wet snow behind.

Thursday, 26 March 2015

Dwang tot bestaan.

Dwang tot bestaan.

Het was nooit aan ons de keuze geweest om geboren te zijn in de eerste plaats.
En dat voornamelijk in deze wereld, waarin de afwezigheid van God meer dan ooit merkbaar, voelbaar is.
Zowel in de morele zin, waarbij Gods wil de grondbeginselen bepaalt voor onze ethiek, als in de praktische zin van het woord, waarbij hij de eeuwige waarheid met zich mee zou moeten dragen om de mensheid tot consensus te laten komen, is God of afwezig of indifferent.
Dat brengt een bepaalde sfeer van leegte met zich mee, waarbij ik niet enkel alleen op mezelf moet steunen, maar daarbij ook nog eens niet de steun bij een hogere macht kan vinden.
Eenzaam en koud, verward en leeg worden we de wereld in geworpen tussen andere soortgenoten, die het pad des levens in zoverre bewandeld hebben dat ze denken te kunnen oordelen over ons recht van bestaan.
Met andere woorden, de mens acht zich in dermate hoog genoeg om voor God te spelen en uit de weinige beschikbare middelen leven te doen ontstaan.
Of dit besluit bewust of onbewust is genomen, het zet een brandmerk op het kind waar het nooit vanaf zal komen.
Immers in deze dat hij, eenmaal geboren, gedwongen is te leven om daarna oftewel verder te leven of er al geheel een eind aan te maken.
Hoe het ook zij, mocht het kind toch een eind willen maken aan zijn leven, dan is hij in dermate impotent om daar een keuze over te maken, voordat hij zichzelf zo heeft ontwikkeld dat hij weet wie hij is en wat hij betekent voor zowel zijn omgeving als voor zichzelf.
Tegen die tijd is er enkel slaafse dwang van zijn omgeving, waar hij voor neer dient te buigen door zijn onvermogen de wereld en zichzelf te kunnen begrijpen.
Daarnaast heeft hij, geworpen in de wereld, geen andere keus dan dit te doen, omdat hij volledig vrij is geboren.
Daarmee bedoel ik dat hij de mogelijkheid heeft om zichzelf te maken tot iets wat hij later wil zijn.
Het problematische hieraan is, is dat zijn vrijheid beperkt wordt in de eerste levensjaren omdat hij nooit het vermogen had om zijn omgeving a priori tot zich te nemen en daar een keuze over te maken.
Nee, in de eerste levensjaren wordt het kind op marxistische wijze ingevuld met informatie, indrukken en geluid, gevoelens en vormen, waarna hij later een geheel kan gaan vormen.
Inderdaad is de mens vrij geboren, misschien is hij wel iets te vrij geboren waardoor het zijn indrukken aan de ander kan opleggen.
Het paradoxale hieraan is dat het kind enerzijds niet de mogelijkheid heeft zichzelf in te vullen omdat hij de wereld in is geworpen en anderzijds het noodzakelijk is dat hij ingevuld wordt omdat hij anders zichzelf niet verder kan realiseren.
Problematisch gezien levert dit het probleem op dat de mens eenmaal de keuze gemaakt hebbend in zijn leven, nooit de keuze kan keren en dus ook de consequentie ervan tot zich moet nemen omdat hij juist gedoemd is zo vrij te zijn.
Vreemd genoeg draagt de mens ook de invulling van zijn omgeving, die hij in zijn eerste levensjaren heeft verworven met zich mee en de daarbij komende consequenties.
Daar ontstaat de dubbelzinnigheid.
Enerzijds dat zijn jeugd bepalend is voor zijn latere levensjaren en voor de beperking aan keuzes die hij voorgelegd krijgt.
Anderzijds als het kind niet ingevuld wordt, , zodra de invulling van deze vrijheid niet begint, zodra de keuzes niet worden gemaakt waarmee hij zijn eigen essentie bepaalt, is hij paradoxaal genoeg een slaaf aan zijn eigen bestaan.
Hij stopt met existeren (dat wat de mens bestempelt tot mens!) en hij reduceert zichzelf tot een object.
Niet alleen jegens zijn omgeving, maar het meest jegens zichzelf.


De mens gedefinieerd

Gedwongen te bestaan leeft een mens nooit in isolatie, maar altijd te midden van andere lotgenoten.
De mens gedefinieerd hebbend als een behoeftig dier, is het er altijd op uit om zijn onderbewuste driften tot hun recht te laten komen.
Hierbij is het vaak niet bewust van zijn driften, totdat het in het bewustzijn vertaald wordt zodat het doel makkelijker behaald kan worden, niet door dierlijk instinctieve reflecties, maar door redelijk nadenken.
Tot deze behoeftes behoren de meest basale, zoals hongerdrift en seksuele ladingen dat tot hun climax moeten komen, zodat de mens weer terugkeert in een toestand van rust.
Wat de mens niet tot dier kan laten worden is het aspect dat zij door hun zelfbewustzijn een bepaalde weg kunnen afleggen om deze gedeelde driften tot ontlading te laten komen.
Dit creëert de persoonlijkheid.
Doorgaand op het zelfbewustzijn; het zelfbewustzijn is datgene wat de mens in staat stelt om zichzelf te verhouden tot zichzelf en zijn omgeving.
Sartre duidt dit aan met être-pour-soi, wat inhoudt dat de mens een zelf-creërende subject is dat zijn eigen essentie maakt door te streven naar het être-en-soi.
Het être-en-soi is datgene wat helemaal met zichzelf samenvalt, dat houdt in dat je jezelf niet meer creëert, maar zoals een God al volledig bent.
Het tegenstrijdende hieraan is dat je als mens nooit dit stadium kan bereiken omdat je gedoemd bent hierin te falen.
Deze wisselwerking vormt de speelruimte waarin de mens een subject is te midden van vele andere objecten die hij gebruikt om zichzelf te creeëren.
Er zit geen happy ending aan elk falen. De happy ending zit hierin dat je niet meer kan dan leven, punt.
Daar zit het hele leven in besloten. Namelijk dit, dat je alleen maar kan leven met zowel de goede als de slechte momenten.
Er komt geen daarna meer, er zit geen bedoeling in, omdat die bedoeling nooit in de wereld lag.
De objectieve buitenwereld functioneert enkel en alleen volgens de natuurwetten waaraan we ons niet kunnen onttrekken, het kent geen morele waardes, noch gedragsregels.  
Dit houdt in dat elke vorm van goed, slecht, mooi, lelijk of elke andere abstract begrip dat we aan de werkelijkheid toepassen enkel iets is wat binnen in onze hoofd bestaat, in onze wereld.

Voorwoord- Uitleg

Dit abstracte verhaal representeert de gewaarwording.
Het was nooit aan ons de keus geweest om in de wereld te zijn geworpen. Dat ik niet alleen een subject ben, maar dat iedereen een subject is, hoewel deze functie nooit zichtbaar tot zijn recht komt.
Zo meende ik eerst dat ik de mens zelf verafschuwde vanwege zijn objectivisering van de zelf.
Vervolgens stemde ik hiermee in en ging ik mezelf proberen objectiviseren, wat in hield dat je weigert om je eigen leven in te vullen, maar dat je jezelf bloot legt voor de wereld om te doen met je wat ze willen. Door daarbij passief te zijn in je existentie in plaats van actief en zelfbewust van elke handeling de consequenties te aanvaarden.
Oftewel stoppen met mens zijn.
Hoe hard ik toentertijd om te kunnen krioelen tussen de anderen, mijn poten waren enkel armen die konden grijpen naar een pen om de frustratie weg te schrijven.
Poëtisch braaksel noem ik dit ook wel.
Ja, ik merkte dat ik gek, gestoord, krankzinnig was, maar dat veranderde weinig aan hoe de realiteit op zichzelf was.
Alcohol kon deze fase verdrinken, maar het veranderde nog steeds weinig aan de realiteit.
Want zodra het eerste omhulsel gekraakt was (dacht je) van je medemens, wist je bij god niet welk van de twee lichamen de persoon was die zichzelf in de wereld positioneerde.
Sterker nog, weet de medemens zelf wel welk van de twee hij is of zijn ze allebei twee kanten van een mes waarmee ze in hun vleselijk bestaan snijden?
Nee het leven is niet lijden door andere mensen.
Het was lijden door de schijn van andere mensen, die zich bewogen van het mens zijn naar het dier-zijn, waarbij ze zekerheid verwierven over hun bestaan, maar steeds minder mens werden met deze dodelijk beslissing.
Had Nietzsche ooit gezegd dat God dood was, dat wij Hem hebben gedood, dan kan ik nu mededelen dat die kruistocht nooit is opgehouden, maar enkel is opgeschoven naar het uitmoorden van de mens.
De mens is stervende en dat hebben wij gedaan.
En de vraag over het nog te redden is nog maar de vraag, omdat ik me afvraag of we ooit mens waren geweest.
Het doorbreken van de pantsers zegt weinig over de echtheid van de binnenkant, waarbij de binnenkant twee kanten van dezelfde munt kunnen zijn.
En zoals ik, hebben velen onzekerheden in het leven, die ze verbergen met deze dubbelzinnigheid.
Wie ben ik echt? Wat wil ik eigenlijk? Ben ik momenteel niet gewoon een marionet die, zodra het losgeknipt wordt van de poppenspeler, uit pure wanhoop en ongemakkelijkheid zal proberen om de touwen aan elkaar vast te knopen? Wil ik keuzes maken en vrij zijn of wil ik in de zogenaamde structuur leven die ik tot vanzelfsprekend heb gemaakt, maar die wel mij een begin en eindpunt geeft in het leven?
Voor mij lijken de pantsers van de insectenlichamen waarin we onszelf opsluiten af te vallen.
Er is geen objectieve houvast, enkel de illusie van structuur in wat in onze categoriserende ogen lijkt op structuur.
Dit creëert wat ik aanduidt met het begrip neo-solipsisme. Dit is een stroming dat aansluit bij het filosofisch scepticisme, dat je nergens helemaal zeker over kan zijn.
Dit komt voort uit het idee dat niemand in de objectieve wereld leeft, maar in zijn eigen geest.
De objectieve wereld treedt door het subjectief filtertje heen en construeert hem op deze wijze. Dit toont aan dat de mens alles wat hij uit zijn omgeving haalt om zichzelf te construeren nooit waarneemt als Ding an sich, maar altijd als een Ding für sich.
Ieders leven is op die wijze geconstrueerd op indrukken, schijnen van de werkelijkheid.
Deze verschijnen zullen ook nooit en te nimmer zijn geest verlaten, maar in de bewegingsruimte van zijn vrijheid de invulling vormen voor de latere keuzes die hij zal maken in het leven.
Op die wijze leeft hij nooit in de wereld, maar altijd in zichzelf. In zijn eigen wereld.



Losse Gedachtes #1

In het leven is er niks wat enger en meer intimiderend is dan jezelf de wereld in te werpen en te kijken wat de reacties zullen zijn op jouw positie.
Niet alleen brengt het heel veel onzekerheid met zich mee, maar de dood die als een geduldige vriend op je wacht, doet mij des te meer realiseren hoe weinig tijd ik heb om mezelf te realiseren.
Daarnaast word ik diep ongelukkig van de tijdsnood, die mij dwingt tot handelen en daarentegen de omgeving die je maar in bepaalde richtingen duwt, de illusie gevend dat je enige mate van vrijheid bezit.

Kafka heeft ooit het volgende gezegd: ‘’I have the true feeling of myself when I am unbearably happy unhappy.’’

Waarin begrip voor de omgeving uitmondde in diepe droefenis wegens bedrukking en machteloosheid, maar daarnaast de noodzaak van de wisselwerking waarbij je je eigen vrijheid moet invullen en deze machteloosheid ter hand moet nemen.
Dacht ik eens de begripvolle zuster te zijn uit zijn Metamorfose, was ik eigenlijk het ongedierte zelve te midden van andere ongedierte, die of niet bewustzijn van hun insect-zijn of het wensen te negeren.
Ze krioelen en naderen mij, wanneer ze kwijlend langs en over elkaar heen kruipen.
Wanneer hun takvormige armen verstrengeld raken in elkaar om een paringsdans of iets in die trant voor te stellen, kauw ik op mijn eigen armen, niet in staat om ook maar de illusie op te kunnen wekken mijn lichaamstemperatuur aan de ander aan te passen.
Zo ook zit ik opgesloten in mijn insectenpantser van diep ongeluk.
Nu en dan steek ik mijn hoofd naar buiten, maar de geur van de over elkaar wrijvende schilden branden mij in de neus.
Durf ik toch mijn intrede te doen in hun insectenlegioen, dan is hun eigen gedaante diep verborgen.

Onlangs was er echter sprake van een gesprek, die, zo dierlijk als ik toen was, werd uitgelokt met snoep en verwennerij.
En naarmate onze kelen niet enkel gezoem en gepiep lieten horen, maar menselijk geluid, zo scheen het dat ik een glimp van menselijkheid had gezien in de ander.
Zowaar lukte het mij om kilo’s lichter te worden, na uit het verduvelde insectenpak gestapt te zijn.
Mijn onwennige keel deed pijn door de frisse buitenlucht die nieuw leven in mij blies.
Met nieuwe ogen keek ik de wereld tegemoet en ik voelde de warmte van andermans blik door mijn schedel dringen en opvlammen in het binnenste van mijn breinmassa.
Het eerste wat ik uit kon brengen was: ‘’La vie, c’est pas souffrir.’’
Mijn zintuigen dwaalden meteen af naar de koude pantsers die zich een weg baanden om en door elkaar heen.
En zo werd de vlam in mij des te groter om de pantsers te doen verbrijzelen.
En zo deed ik dat ook.
Ze kraspten heerlijk open als knarsende herfstbladeren op een koude oktoberdag.
En op dat moment knapte er ook iets in mij.

De dubbelzinnigheid van het bestaan werd me opeens duidelijk en met elk gebroken insectenhuid werd de dubbelzinnigheid groter en scherper dan ooit.
Er was op dit moment niks moeilijker dan door iemand heen te kijken en te begrijpen dat ook zij zoals jij in massale groepen de wereld in waren geworpen, gedwongen om te leven.

‘’In elk mens heeft ooit een levenskunstenaar gezeten,’’ gonsde er door mijn hoofd,
maar zonder het zelf te weten beschermde ze zichzelf voor henzelf.’’ maakte ik de zin hardop af.
Gebroken en in diggelen was men naakt.
De ogen werden afgewend en ze beschermden met hun handen de roosgekleurde gezichtsuitdrukkingen.

De mens is volwassen geworden.