Search This Blog

Showing posts with label dood. Show all posts
Showing posts with label dood. Show all posts

Thursday, 26 March 2015

Dwang tot bestaan.

Dwang tot bestaan.

Het was nooit aan ons de keuze geweest om geboren te zijn in de eerste plaats.
En dat voornamelijk in deze wereld, waarin de afwezigheid van God meer dan ooit merkbaar, voelbaar is.
Zowel in de morele zin, waarbij Gods wil de grondbeginselen bepaalt voor onze ethiek, als in de praktische zin van het woord, waarbij hij de eeuwige waarheid met zich mee zou moeten dragen om de mensheid tot consensus te laten komen, is God of afwezig of indifferent.
Dat brengt een bepaalde sfeer van leegte met zich mee, waarbij ik niet enkel alleen op mezelf moet steunen, maar daarbij ook nog eens niet de steun bij een hogere macht kan vinden.
Eenzaam en koud, verward en leeg worden we de wereld in geworpen tussen andere soortgenoten, die het pad des levens in zoverre bewandeld hebben dat ze denken te kunnen oordelen over ons recht van bestaan.
Met andere woorden, de mens acht zich in dermate hoog genoeg om voor God te spelen en uit de weinige beschikbare middelen leven te doen ontstaan.
Of dit besluit bewust of onbewust is genomen, het zet een brandmerk op het kind waar het nooit vanaf zal komen.
Immers in deze dat hij, eenmaal geboren, gedwongen is te leven om daarna oftewel verder te leven of er al geheel een eind aan te maken.
Hoe het ook zij, mocht het kind toch een eind willen maken aan zijn leven, dan is hij in dermate impotent om daar een keuze over te maken, voordat hij zichzelf zo heeft ontwikkeld dat hij weet wie hij is en wat hij betekent voor zowel zijn omgeving als voor zichzelf.
Tegen die tijd is er enkel slaafse dwang van zijn omgeving, waar hij voor neer dient te buigen door zijn onvermogen de wereld en zichzelf te kunnen begrijpen.
Daarnaast heeft hij, geworpen in de wereld, geen andere keus dan dit te doen, omdat hij volledig vrij is geboren.
Daarmee bedoel ik dat hij de mogelijkheid heeft om zichzelf te maken tot iets wat hij later wil zijn.
Het problematische hieraan is, is dat zijn vrijheid beperkt wordt in de eerste levensjaren omdat hij nooit het vermogen had om zijn omgeving a priori tot zich te nemen en daar een keuze over te maken.
Nee, in de eerste levensjaren wordt het kind op marxistische wijze ingevuld met informatie, indrukken en geluid, gevoelens en vormen, waarna hij later een geheel kan gaan vormen.
Inderdaad is de mens vrij geboren, misschien is hij wel iets te vrij geboren waardoor het zijn indrukken aan de ander kan opleggen.
Het paradoxale hieraan is dat het kind enerzijds niet de mogelijkheid heeft zichzelf in te vullen omdat hij de wereld in is geworpen en anderzijds het noodzakelijk is dat hij ingevuld wordt omdat hij anders zichzelf niet verder kan realiseren.
Problematisch gezien levert dit het probleem op dat de mens eenmaal de keuze gemaakt hebbend in zijn leven, nooit de keuze kan keren en dus ook de consequentie ervan tot zich moet nemen omdat hij juist gedoemd is zo vrij te zijn.
Vreemd genoeg draagt de mens ook de invulling van zijn omgeving, die hij in zijn eerste levensjaren heeft verworven met zich mee en de daarbij komende consequenties.
Daar ontstaat de dubbelzinnigheid.
Enerzijds dat zijn jeugd bepalend is voor zijn latere levensjaren en voor de beperking aan keuzes die hij voorgelegd krijgt.
Anderzijds als het kind niet ingevuld wordt, , zodra de invulling van deze vrijheid niet begint, zodra de keuzes niet worden gemaakt waarmee hij zijn eigen essentie bepaalt, is hij paradoxaal genoeg een slaaf aan zijn eigen bestaan.
Hij stopt met existeren (dat wat de mens bestempelt tot mens!) en hij reduceert zichzelf tot een object.
Niet alleen jegens zijn omgeving, maar het meest jegens zichzelf.


De mens gedefinieerd

Gedwongen te bestaan leeft een mens nooit in isolatie, maar altijd te midden van andere lotgenoten.
De mens gedefinieerd hebbend als een behoeftig dier, is het er altijd op uit om zijn onderbewuste driften tot hun recht te laten komen.
Hierbij is het vaak niet bewust van zijn driften, totdat het in het bewustzijn vertaald wordt zodat het doel makkelijker behaald kan worden, niet door dierlijk instinctieve reflecties, maar door redelijk nadenken.
Tot deze behoeftes behoren de meest basale, zoals hongerdrift en seksuele ladingen dat tot hun climax moeten komen, zodat de mens weer terugkeert in een toestand van rust.
Wat de mens niet tot dier kan laten worden is het aspect dat zij door hun zelfbewustzijn een bepaalde weg kunnen afleggen om deze gedeelde driften tot ontlading te laten komen.
Dit creëert de persoonlijkheid.
Doorgaand op het zelfbewustzijn; het zelfbewustzijn is datgene wat de mens in staat stelt om zichzelf te verhouden tot zichzelf en zijn omgeving.
Sartre duidt dit aan met être-pour-soi, wat inhoudt dat de mens een zelf-creërende subject is dat zijn eigen essentie maakt door te streven naar het être-en-soi.
Het être-en-soi is datgene wat helemaal met zichzelf samenvalt, dat houdt in dat je jezelf niet meer creëert, maar zoals een God al volledig bent.
Het tegenstrijdende hieraan is dat je als mens nooit dit stadium kan bereiken omdat je gedoemd bent hierin te falen.
Deze wisselwerking vormt de speelruimte waarin de mens een subject is te midden van vele andere objecten die hij gebruikt om zichzelf te creeëren.
Er zit geen happy ending aan elk falen. De happy ending zit hierin dat je niet meer kan dan leven, punt.
Daar zit het hele leven in besloten. Namelijk dit, dat je alleen maar kan leven met zowel de goede als de slechte momenten.
Er komt geen daarna meer, er zit geen bedoeling in, omdat die bedoeling nooit in de wereld lag.
De objectieve buitenwereld functioneert enkel en alleen volgens de natuurwetten waaraan we ons niet kunnen onttrekken, het kent geen morele waardes, noch gedragsregels.  
Dit houdt in dat elke vorm van goed, slecht, mooi, lelijk of elke andere abstract begrip dat we aan de werkelijkheid toepassen enkel iets is wat binnen in onze hoofd bestaat, in onze wereld.

Voorwoord- Uitleg

Dit abstracte verhaal representeert de gewaarwording.
Het was nooit aan ons de keus geweest om in de wereld te zijn geworpen. Dat ik niet alleen een subject ben, maar dat iedereen een subject is, hoewel deze functie nooit zichtbaar tot zijn recht komt.
Zo meende ik eerst dat ik de mens zelf verafschuwde vanwege zijn objectivisering van de zelf.
Vervolgens stemde ik hiermee in en ging ik mezelf proberen objectiviseren, wat in hield dat je weigert om je eigen leven in te vullen, maar dat je jezelf bloot legt voor de wereld om te doen met je wat ze willen. Door daarbij passief te zijn in je existentie in plaats van actief en zelfbewust van elke handeling de consequenties te aanvaarden.
Oftewel stoppen met mens zijn.
Hoe hard ik toentertijd om te kunnen krioelen tussen de anderen, mijn poten waren enkel armen die konden grijpen naar een pen om de frustratie weg te schrijven.
Poëtisch braaksel noem ik dit ook wel.
Ja, ik merkte dat ik gek, gestoord, krankzinnig was, maar dat veranderde weinig aan hoe de realiteit op zichzelf was.
Alcohol kon deze fase verdrinken, maar het veranderde nog steeds weinig aan de realiteit.
Want zodra het eerste omhulsel gekraakt was (dacht je) van je medemens, wist je bij god niet welk van de twee lichamen de persoon was die zichzelf in de wereld positioneerde.
Sterker nog, weet de medemens zelf wel welk van de twee hij is of zijn ze allebei twee kanten van een mes waarmee ze in hun vleselijk bestaan snijden?
Nee het leven is niet lijden door andere mensen.
Het was lijden door de schijn van andere mensen, die zich bewogen van het mens zijn naar het dier-zijn, waarbij ze zekerheid verwierven over hun bestaan, maar steeds minder mens werden met deze dodelijk beslissing.
Had Nietzsche ooit gezegd dat God dood was, dat wij Hem hebben gedood, dan kan ik nu mededelen dat die kruistocht nooit is opgehouden, maar enkel is opgeschoven naar het uitmoorden van de mens.
De mens is stervende en dat hebben wij gedaan.
En de vraag over het nog te redden is nog maar de vraag, omdat ik me afvraag of we ooit mens waren geweest.
Het doorbreken van de pantsers zegt weinig over de echtheid van de binnenkant, waarbij de binnenkant twee kanten van dezelfde munt kunnen zijn.
En zoals ik, hebben velen onzekerheden in het leven, die ze verbergen met deze dubbelzinnigheid.
Wie ben ik echt? Wat wil ik eigenlijk? Ben ik momenteel niet gewoon een marionet die, zodra het losgeknipt wordt van de poppenspeler, uit pure wanhoop en ongemakkelijkheid zal proberen om de touwen aan elkaar vast te knopen? Wil ik keuzes maken en vrij zijn of wil ik in de zogenaamde structuur leven die ik tot vanzelfsprekend heb gemaakt, maar die wel mij een begin en eindpunt geeft in het leven?
Voor mij lijken de pantsers van de insectenlichamen waarin we onszelf opsluiten af te vallen.
Er is geen objectieve houvast, enkel de illusie van structuur in wat in onze categoriserende ogen lijkt op structuur.
Dit creëert wat ik aanduidt met het begrip neo-solipsisme. Dit is een stroming dat aansluit bij het filosofisch scepticisme, dat je nergens helemaal zeker over kan zijn.
Dit komt voort uit het idee dat niemand in de objectieve wereld leeft, maar in zijn eigen geest.
De objectieve wereld treedt door het subjectief filtertje heen en construeert hem op deze wijze. Dit toont aan dat de mens alles wat hij uit zijn omgeving haalt om zichzelf te construeren nooit waarneemt als Ding an sich, maar altijd als een Ding für sich.
Ieders leven is op die wijze geconstrueerd op indrukken, schijnen van de werkelijkheid.
Deze verschijnen zullen ook nooit en te nimmer zijn geest verlaten, maar in de bewegingsruimte van zijn vrijheid de invulling vormen voor de latere keuzes die hij zal maken in het leven.
Op die wijze leeft hij nooit in de wereld, maar altijd in zichzelf. In zijn eigen wereld.



Parodie Sociaal-Realisme op Gorki

De leerling

Door: De Bittere

Gebukt onder misère met zijn ogen geworpen op de grijze hemel sjokt onze held richting huis om dezelfde maaltijd te nuttigen als de afgelopen drie dagen. 
De spieren stijf van slaaptekort en de vingers vies van de as en het roet sluit hij dicht tegen de groep somber kijkende leerlingen aan. Hun schouders hangen omlaag, diep in de kragen verscholen en met zware tred verzetten ze de ene voet na de andere hierbij een diep spoor achterlatend in de grijze natte sneeuw.
De school braakt met veel stoom de leerlingen uit, die na hun machinale functie vervuld te hebben terugkeren om de volgende dagen deze functie opnieuw te vervullen. 
Geïrriteerd en minachtend gebrom is te horen te midden van de leerlingen, nadat ze hun hoofden wegdraaien van de laatste bel, die scherp te horen is als indicatie van hun tijdelijke vrijheid.
De dag is voorbij en de zon gaat langzamerhand onder en terwijl dit gebeurt verandert het geïrriteerde gebrom in warm geroezemoes.
De schoolbanken hebben de energie van onze scholieren weggezogen en met bezwete voorhoofden tonen ze blijmoedig en hongerig elkaar hun glimmende tanden druipend van het kwijl. Het avondmaal kan genuttigd worden.
Na vele jaren intensieve arbeid, hebben de meesten scholieren er vrede mee gesloten dat er geen ontkomen aan de zware onderdrukking van de docenten is en dat elke stap die ze nemen om de dag tot een eind te brengen, een stap dichter bij het graf is.
Op enkele dagen echter, wordt de met Axe volgespoten mannenkleding vervangen door een net pak en krijgen de vrouwelijke scholieren de gelegenheid om hun haar los en charmant krullend te dragen.
De jaren in de schoolbanken hebben onze held beroofd van zijn eetlust en zin tot drank, maar wanneer die lust eenmaal werd aangewakkerd door de soms gunstig gezinde docenten, dan konden de scholieren de door woede brandende magen blussen met alcohol op eindfeesten.
Andere dagen, buiten de school om spreken de leerlingen op serieuze toon met elkaar. Nooit afwijkend van de cijfers en datgene wat zich het meest prominent manifesteert in hun bestaan: de fysieke inspanning die dag in dag uit geleverd moet worden aan de grootbuikige schooleigenaren.
Zelden doorbreekt een glimlach hun monotone manier van spreken. En wanneer dit gebeurt, is het de agressie die zich thuis afspeelt tegen de jongere broer of zus dan wel de ouders die het wagen te vragen hoe hun dag was.
En deze levenswijze volgt de volgende generatie als een schaduw achterna, onlosmakelijk verbonden met henzelf.
En na zo vijfenzestig jaar geleefd te hebben, sterft men de gelukkige scholierendood.
Zo ook zou onze held geleefd hebben, als trouwste werker van de school.
Hij is het knapst, het sterkt en het meest intelligent. Desondanks in zichzelf gekeerd en respectloos tegenover elk gezag. 
Zo gebeurt het op een dag dat hij toevalligerwijs een humeurige medescholiere tegenkomt die een snauwende opmerking maakt betreffende zijn kledingdracht.
Scherp en oneerbiedig als hij is, bijt hij deze nors kijkende dame van zich af, maar waarvan hij zich niet los weet te wrikken. is het idee van de onderdrukking dat hem is aangepraat.
Zie je, vroeg hij zo zichzelf, het is niet alleen ik die zo gekleed is en gebukt gaat onder het regime van de school. Het is het ook de medescholiere zelve die haar frustratie uit door haar tekort aan voldoening, aangezien iedereen en allen hetzelfde is gekleed. In de Abercrombie en Fitch mode.
En zo valt hem de ene nors kijkende scholier op na de ander, de scholieren die als een groep wolven klaar zijn om het gezag omver te werpen.
Onze held weet vanaf dit moment wat hem te doen staat.
Hij zal  zich ontrukken aan de schaduw die hem als achttien jaar lang volgt. Deze keer zal hij de school tonen wat het betekent om gezamenlijk het goud te onttrekken van de leraren en als een gezamenlijk genootschap erboven op te zitten.
Zo is er een vuur in hem aangewakkerd, waarna hij zich een weg baant door de dikke pak sneeuw en met gestrekte armen tot de grijze hemel roept:
‘Kameraden. . .’ hij is nog maar net begonnen met zijn zin of de medescholieren pakken hun mobiele telefoons om het spektakel te filmen.
De moed zakte hem in de schoenen en hij laat zijn schouders zuchtend omlaag hangen, diep in de kraag verscholen en met zware tred verzet hij zijn ene voet na de andere, hierbij een diep spoor achterlatend in de grijze natte sneeuw.






Wednesday, 4 February 2015

Een Onderzoek Naar De Normaliteit

1.1. Voorwoord
Wat opvalt zodra we beginnen na te denken over normaliteit is dat het begrip ‘normaliteit’ meestentijds wordt gebruikt als argument. ‘Dat is toch normaal’ wijst naar de normaliteit als verklaring voor de vanzelfsprekendheid van een bepaalde gedachte of handeling, ‘Doe eens normaal!’ berispt gedrag wat schijnbaar vanzelfsprekend ongewenst en slecht is en ‘Hij is gek om dat te doen!’ maakt beroep op een zekere norm die door iedereen word gedacht gekend te worden. In de dagelijkse spraak horen wij nog veel meer van dit soort uitspraken, en allemaal lijken ze aanspraak te maken op een begrip, idee of kortweg een verzameling van standpunten en oordelen, waaraan de mens de werkelijkheid voortdurend toetst.

Is het dan niet vreemd dat er nooit een uitgewerkte definitie van normaliteit ter licht is gekomen? Dat de mens al een heel lange tijd tevergeefs op zoek is geweest naar de essentie van datgene wat hij zo gulzig gebruikt? Wij erkennen de oorzaak van het probleem. De normaliteit is nooit een aanwijsbaar fenomeen geweest, waarbij we net als bij materiële dingen de normaliteit konden aanwijzen in de wereld. Dit betekent echter niet dat de normaliteit even veel tot de verbeelding behoort als de sprookjes waarmee we zijn opgegroeid.Voor het werkstuk hebben wij besloten om wat dieper te graven dan normaal is, en zijn wij vastberaden om te bewijzen dat de normaliteit, hoewel niet aanwijsbaar, net zo echt is als de smaken die wij proeven of de kleuren die wij zien.

Verder is dit de laatste keer voor ons dat wij ons samen voor school op het schrijven van een filosofisch werk kunnen richten. Dit zal behoren tot ons magnum opus: iets wat wij samen hebben kunnen creëren na veel uren van discussie en thee. Wij zijn erg tevreden met de keuze om ons profielwerkstuk te wijden aan de filosofie en hopen anderen niet teleur te stellen met onze bevindingen, en vooral onszelf niet.

















Inhoudsopgave
1.1. Voorwoord
1.2. Motivatie en aanpak

2.1. Wat is normaliteit?
2.2. Hoe beweegt normaliteit?
​2.2.1. Hoe ontstaat normaliteit?
​​2.2.1.1. Onderkopje 3
​2.2.2. Hoe verandert normaliteit?


1.2. Onze motivatie en aanpak
Al een lange tijd geleden waren wij gefascineerd geraakt door de maatschappij en het gedrag dat zij als gangbaar beschouwt. We vroegen ons af waar de wortels van de resulterende normaliteit zouden kunnen liggen en in hoeverre de mens ook daadwerkelijk bewust is van zijn al dan niet normale gedrag. Met het schrijven van dit werkstuk probeerden wij een grondige zoektocht naar één van de meest onbeschrijfbare verschijnselen van de menselijkheid verrichten, maar eigenlijk hebben wij vooral ook een antwoord moeten vinden op onze eigen vragen en oordelen omtrent de mens en de wereld waarin hij leeft.

In dit werkstuk is het ons doel om een einde te maken aan de tweestrijd die tussen het idealisme en materialisme heerst als het aankomt op de vraag hoe ongrijpbare sociale ideeën ontstaan, waaronder dus ook de normaliteit. Over deze twee stromingen vertellen we meer in de inleiding van Hoe ontstaat normaliteit?. Ons leek het in ieder geval niet onmogelijk om de vraag waar geen van de stromingen een volledig antwoord op scheen te kunnen geven tijdelijk te kunnen beantwoorden, en dit hebben wij ook geprobeerd met onze theorie over de normaliteit.

Tijdens het schrijven van ons profielwerkstuk merkten wij op dat er slechts weinige filosofen waren die de normaliteit in hun werken als ding op zich hadden beschreven, en dat er geen waren die er een uitgebreid werk over hadden gepubliceerd. Desondanks hebben wij toch een rijk aan denkers gevonden die wij kunnen gebruiken ter vergelijking met of ter verduidelijking van onze ideeën. En dus is nu aan ons de eer om ons over de normaliteit te buigen, hoogstwaarschijnlijk als twee van de eerste en jongste filosofen die er een heel werk aan wijden.

Aangezien wij met dit werkstuk een eigen theorie hebben opgesteld, is het nodig om bewust te zijn van het feit dat elke geschreven zin met grote precisie is geplaatst en op geen wijze weggelaten kan worden, zonder de overdracht te belemmeren. Tot onze ideeën zijn wij gekomen na het voeren van vele dialogen over de normaliteit en de manieren waarop zij zich in de wereld laat zien en door het lezen en bespreken van (filosofische) werken die ons informatie konden bieden op het relevante gebied. Daarnaast hebben wij enkele filosofen besproken en hebben wij onze eigen theorieën getoetst aan die van hen. Het was in zijn geheel een langdurig en erg precies proces, wat uiteindelijk een korter werkstuk heeft opgeleverd dan het gemiddelde profielwerkstuk, maar van welke wel elke regel het product is van de zuiver filosofische dialoog. Oftewel, het fundament van dit profielwerkstuk is onze eigen filosofie over de normaliteit.

Een woord over de vorm: wij hebben de hoofdtekst ingedeeld in twee sub-hoofdstukken. In het eerste sub-hoofdstuk, Wat is normaliteit?, presenteren wij de eerste bouwstenen van onze theorie. Dit sub-hoofdstuk wijden we aan een analyse van het begrip ‘normaliteit’ en proberen we de essentie van de normaliteit te achterhalen. Het tweede sub-hoofdstuk, Hoe beweegt normaliteit?, bestaat uit twee delen. In Het ontstaan van normaliteit bespreken wij de mens, de wereld, de confrontatie van de twee en de verschijnselen die hieruit voortkomen. In het laatste sub-hoofdstuk,Hoe verandert de normaliteit?, doen wij een poging om te verklaren hoe het kan dat de gehanteerde normaliteit uiteindelijk kan omslaan en kan veranderen in iets heel anders.

Wij hebben gebruik gemaakt van enkele filosofen, die in onze ogen ter verduidelijking konden dienen van onze theorie en wiens ideeënde lezer over het gelezene aan het denken kunnen zetten. Informatie over citaten, filosofische ideeën en filosofen hebben wij verwerkt in noten onderaan de pagina. Definities van vaktermen hebben wij bijgevoegd in een bijlage. De gedefinieerde woorden zijn in ons profielwerkstuk onderstreept.






















2.1. Wat is normaliteit?
Graag maken wij duidelijk wat wij niet onder de normaliteit verstaan door een onderscheid te maken tussen de drie manieren waarop we het begrip kunnen benaderen, en door te vertellen waarom wij twee van de drie links hebben laten liggen. Ten eerste zouden wij de begrippen ‘normaliteit’ en ‘normativiteit’ kunnen verwarren door, ter verklaring van de normaliteit, dingen te noemen die prescriptief zijn, dat wil zeggen die gedrag voorschrijven (zoals de tien geboden en het Wetboek van Strafrecht). Deze dingen zijn normatief en beschrijven niet meer dan de voorwaarden van normaliteit. Als tweede mogelijkheid zouden wij descriptief te werk kunnen gaan. Bijvoorbeeld door op straat aan voorbijgangers te vragen wat zij al dan niet normaal vinden, door te kijken hoe de normaliteit door de media wordt getoond of door gelijkheden in verschillende culturen proberen te vinden. Voor deze weg hebben wij niet gekozen omdat we dan louter de invulling van de normaliteit zouden bestuderen, wat in onze ogen gelijk zou zijn aan het nauwkeurig noteren van de verschillende getallen die uit een formule kunnen komen. Nee, wij kozen ervoor (doorgaand op de voorgaande vergelijking) om de formule zelf te onderzoeken en te begrijpen hoe en uit welke componenten zij opgebouwd is. Kort gezegd, wij onderzochten de normaliteit als een theoretisch verschijnsel van de menselijke geest.

En laten we daar eens even op doorgaan. Als wij stellen dat de normaliteit een verschijnsel is van de menselijke geest… wat bedoelen wij dan? Menen we dat de normaliteit iets is wat in ieder mens bestaat? In ieder het zelfde inhoudt? Of gaat het hierbij om een individuele menselijke geest: zó vrij dat hij afgesloten is van de wereld en van de anderen? Wij denken van wel, omdat deze vrijheid bestaat in het bewustzijn van de mens. In dit werkstuk hebben wij het volgende aangenomen: iedere mens bestaat in zijn eigen bewuste kamer, waar de indrukken van buitenaf middels de zintuigen in uitmonden. Deze kamer is de ruimte waarin hij leeft en leert over de wereld. Maar geen mens kan ook uit zijn kamer stappen: omdat hij mens is, is dit zijn enige wijze van leven. In het kort kunnen we stellen dat ieder mens zijn eigen speelruimte heeft. Door middel van interactie met de wereld en de medemens kan hij groeien en zijn mens-zijn verfijnen. Over normaliteit kunnen wij zeggen dat zij in iedere geest afzonderlijk ontstaat, dat er geen algemeen besef van normaliteit is, maar wel ontelbare ideeën, oordelen en gevoelens omtrent het begrip, of liever gezegd het woord ‘normaliteit’.

Omdat de normaliteit een theoretisch begrip is (een begrip dat niet kan worden uitgelegd door te wijzen naar de werkelijkheid) is het nodig om eerst de soorten theoretische begrippen waar de mens gebruik van maakt van elkaar te onderscheiden en bepalen tot welke de normaliteit behoort. Al deze menselijke begrippen menen wij naar ontstaanswijze te kunnen onderverdelen in twee groepen: de begrippen die zijn ontstaan uit de observatie van de wereld en de begrippen die zijn ontstaan door de observatie van de zelf.Tot de eerste groep behoren begrippen als ‘tijd’, ‘ruimte’, ‘leven’ en ‘dood’. Wij denken dat deze begrippen zijn ontstaan doordat de mens bepaalde dingen in de wereld observeerde, zoals het bloeien en verwelken van bloemen of het sterven van soortgelijken, enhiervandaan een overkoepelend begrip afleidde. In de tweede groep horen begrippen als ‘liefde’ of ‘rechtvaardigheid’. Dit zijn begrippen van welke de oorzaak van het ontstaan niet in de wereld heeft gelegen, maar in de mens. Liefde is ontstaan doordat de mens voor de eerste keer warmte voelde voor een ander, en rechtvaardigheid doordat hij ooit voor het eerst pijn voelde voor de wereld. Het is al gelijk duidelijk dat het bij de eerste groep gaat om het begrijpen van een begrip, terwijl het bij de tweede gaat om het voelen ervan. Volgens ons behoort het begrip ‘normaliteit’ ook tot de laatste groep, wat laat denken dat het begrip meer een gevoel is dan een ordelijke verzameling van oordelen. Dit menen wij door de volgende gedachtegang: de normaliteit bestaat niet in de wereld waarin de overdracht van informatie geschiedt. Omdat de normaliteit immaterieel is kan zij zich alleen manifesteren in deze objectievewereld als zij vooraf gaat aan een handeling die in de wereld uitgevoerd wordt. Handelingen, of kortweg veranderingen in de materiële wereld, verschijnen objectief aan het subject, wat wil zeggen dat het subject enkel de materiële verandering die de handeling teweeg brengt kan waarnemen. Voordat er ideeën en vervolgens begrippen ontstonden kon de mens louter uit observatie van de objectieve wereld informatie halen, en kon hij dus met geen mogelijkheid kennis nemen van de immateriële oorzaak van een handeling, en dus ook niet van de normaliteit. In Hoe ontstaat de normaliteit? vertellen we meer over de manier waarop het begrip normaliteit een gevoelsbetekenis krijgt.

Nu wij weten dat de normaliteit in ieder mens gescheiden ontstaat en dat zij behoort tot de gevoelsbegrippen (laten we de laatste groep voor het gemak zo noemen) kunnen we haar verder definiëren. Als we de normaliteit beschouwen als een idee dat ieder bij zich draagt, tonen zich aan ons twee mogelijk denkwegen: allereerst kunnen wij de Platonische weg ingaan en het bestaan van de Idee normaliteit aannemen, waarmee we stellen dat ieder mens zijn eigen essentie van normaliteit in zich draagt en bij wie deze schuilgaat achter elke gedachte die of gedrag dat ‘normaal’ genoemd kan worden. Als tweede mogelijkheid is er de Aristotelische weg, die ons de normaliteit laat beschouwen als een verzameling van alle meegemaakte ‘normale’ gedachten en gedragingen. Wij hebben er met onze theorie voor gekozen om voor een groot deel de Aristotelische weg in te slaan, maar om ook Plato niet volledig te ontkennen. We volgden hierbij de onderstaande redenatie:

Ten grondslag van alle kennis van de mens ligt de confrontatievan zijn menselijkheid met de wereld waarin hij leeft. Het voorgaande heeft misschien iets weg van het empirisme, maar is hier zeker niet gelijk aan: de mens moet immers voordat hij zelf kan nadenken beschikken over de instrumenten die het denken mogelijk maken: de menselijke woorden, begrippen en ideeën. Van deze dingen neemt de mens kennis door te leven met de medemens. Niet alleen krijgt de mens bij het opgroeien steeds meer woorden en ideeën om mee te spelen: hij geeft er ook voortdurend meerbetekenis aan. Elke herinnering aan een bepaald idee of begrip staat gelijk aan een aanvullende omschrijving ervan. Geen betekenis van een begrip komt dus voort uit slechts één moment. Zo gaat het ook met het begrip ‘normaliteit’ waar elk mens al vroeg in zijn leven onder de mensen kennis van neemt.

Graag willen wij de structuur van de normaliteit in de mens beter illustreren aan de hand van de betekenis en de referent van GottlobFrege. Hoewel Frege het waarschijnlijk iets anders bedoelde in de eerste plaats, kunnen wij het woord ‘normaliteit’ beschouwen als de referent: het is één begrip, wat in verbinding staat (of refereert naar) elk moment waarop wij in aanraking zijn gekomen met de normaliteit en haar verschijningen in de wereld. De Aristotelische filosofie zien wij terug in de gedachte dat elk moment bijdraagt aan de vorming van het geheel, en de filosofie van Plato toont zich wanneer wij stellen dat het wel degelijk slechts één begrip is waar al deze aanvullende betekenis aan bijdraagt, ook al is het een begrip dat voortdurend verandert.

Ter samenvatting: wij stellen dat ieder mens los van de medemens een besef van normaliteit ontwikkelt. Dit besef geeft hij voortdurend meer betekenis door middel van de gevoelens die hij voelt bij confrontatie met de normaliteit in de wereld.

Misschien ontstaat nu de vraag hoe het dan mogelijk is dat zoveel mensen het eens zijn over een normaliteit. Hoe kan het dat miljoenen mensen kunnen vechten voor dezelfde waarden, of dat vele geloven van over de gehele wereld eigenlijk neerkomen op dezelfde principes? Ter beantwoording van deze vraag is het nodig om de ontwikkeling van de normaliteit in de mens nader te onderzoeken. Hier wijden wij ons aan in het hoofdstuk Hoe ontstaat normaliteit?.


2.2. Hoe beweegt normaliteit?
Zoals wij al schreven in de inleiding, hebben zich binnen de filosofie twee kampen hebben gevormd omtrent het antwoord op de vraag hoe menselijkheid, als een essentie die huist in ieder mens, ontstaat. Of in andere woorden: hoe de kenmerken die de mens menselijk maken, waaronder dus ook de normaliteit, tot stand komen. Het punt van onenigheid is in welke mate de waarneembare wereld een eigen bedoeling heeft en in hoeverre de mens hier ook deel van uitmaakt. Hieronder bespreken wij in het kort de filosofische stromingen van het idealisme en het materialisme en de houden die wij in dit werkstuk ten opzichte van beide hebben aangenomen. In het volgende hoofdstuk zullen we gebruik maken van enkele idealistische of materialistische filosofen, met het doel om onze ideeën aan hun theorieën te toetsen, ze ermee te vergelijken of ze beter te illustreren.

Aan de ene kant hebben wij de idealisten, die de mens een deel laten worden van de wereld, door deze een absoluut doel en manier van ontwikkelen te geven. De idealist menen dat hij alles kan herleidentot een geestelijk beginsel wat ofwel in de mens of in de wereld gelegen is. Aan de andere kant zijn er de materialisten, die op hun beurt de mens een deel van de wereld maken door zich beide zonder bedoeling voor te stellen. Het materialisme is tegengesteld aan het idealisme in die zin dat alles te herleiden is tot de materie, waarbijjuist de subjectiviteit in de weg zit bij de zoektocht naar de ware aard der dingen. Daarnaast menen materialisten vaak dat de kenbaarheid van de objectieve wereld binnen handbereik is, terwijl deze volgens de idealisten niet buiten de subjectieve wereld kan liggen.

Wanneer wij beide houdingen van dichterbij gingen bestuderen, viel het ons op dat het ons vanuit de idealistische positie niet lukte om uit te leggen hoe mensen zeker kunnen zijn van verschillende dingen en hoe ze over verschillende dingen kunnen twijfelen.
Als de wereld een duidelijke bedoeling had, en de mens deel uitmaakt van deze bezielde wereld, hoe is het dan mogelijk dat de mens tegen de wereld en de medemens in kan gaan? Ook de normaliteit konden wij niet uitleggen vanuit dit perspectief. In de wereld is er geen sprake van één aanwijsbare universele opvatting over wat normaal is om te denken, voelen of te doen. Dit liet ons menen dat de mens wel degelijk gescheiden was van de wereld en dat als deze al een doel had, de mens het niet zou kunnen kennen of vervullen. In andere woorden, de mens was in onze ogen te onrustig en vragend om slechts een uiting van een hogere macht te zijn die hem dwingt een bepaald pad te volgen.

Echter, als wij vervolgens de normaliteit trachten uit te leggen vanuit het materiële standpunt, komen wij op het volgende probleem: wanneer wij de mens in zijn volledigheid willen uitleggen aan de hand van de darwinistische filosofie, dus als wij de mens beschouwen als een drager van eigenschappen en een waarnemingsapparaat (de hersenen) die alles wat hij doet nauwkeurig besluiten op basis van herinnering en streven naar efficiëntie, en als wij ons de wereld als inherent zonder doel of bedoeling voorstellen, dan nog kunnen we er niet omheen dat de mens wel erg veel dingen doet die volledig onnodig lijken en die zeker niet vanuit het streven naar efficiëntie ontstaan zouden kunnen zijn. Waarom ontstaan dan tradities, culturen, of waarom zou de mens dan warmte voelen voor de medemens? Nemen we het standpunt van Marx aan en willen we de normaliteit (en dus ook tradities en gelijkende dingen) verklaren aan de hand van de kenmerken van de materiële wereld, dan krijgen we hetzelfde probleem: de mens doet te veel niet noodzakelijke dingen. Er zit geen noodzaak in het ontstaan van religies, in morele verklaringen of zelfs gevoelens als rechtvaardigheid of liefde, omdat er niet, zoals de behoefte naar voedsel of onderdak, een aanwijsbaar iets is in het menselijk lichaam of in de materiële wereld wat kan verklaren waarom religies of morele waardes noodzakelijk zijn.

Wij meenden te zien dat beide opvattingen de mens en zijn menselijkheid te kort deden door hem zijn vrije wil te ontnemen: de ene door hem in te sluiten bij de wil van de wereld, de andere door zowel de wereld als de mens te beschouwen als een doelloze zichzelf preserverende machine. Dit doet geen recht aan de complexiteit van de geestelijke gewaarwording en de vrijheid waarmee hij geboren is om deze complexiteit tot bloei te laten komen. Hierdoor was het voor ons nodig om een andere richting in te slaan en de normaliteit aan te pakken vanuit een synthese van de twee schijnbaar onverenigbare filosofische brillen.

​2.2.1. Hoe ontstaat normaliteit?
​Het ontstaan van normaliteit is een proces dat onbewust plaatsvindt bij de mens.  Naar onze ​mening is de normaliteit één van de vele manifestaties van de menselijke geest. Filosofen als​Rousseau, Hobbes en Locke stelden het bestaan van een natuurtoestand, en meenden dat de ​menselijke samenleving een product is van een consensus tussen mensen, een sociaal contract.​Wij menen dat de mens nooit bewust over zijn samenleven met andere mensen heeft besloten ​en schouwen het ontstaan van samenlevingen en dus ook van verschillende soorten normaliteit,​als een natuurlijk gegeven van de mens. Hier zijn wij zeker van, omdat de mens naar onze ​mening pas bewust kan kiezen over iets wanneer hij al genoeg kennis bezit van de wereld en​van de ​medemens. Dit is in een absolute beginsituatie niet het geval, dus kan hij ook met geen ​mogelijkheid een redelijk oordeel uitspreken over de beste overlevingswijze. Op de volgende​pagina formuleren wij eerst onze volledige theorie omtrent het ontstaan van de normaliteit, en ​wijden ons daarna aan een grondige analyse van al haar bouwstenen.

​De normaliteit ontstaat wanneer de behoeften van de mens en zijn geest zich na een tijd ​van leven met andere mensenhebben gevormd naar zijn materiële omgeving en de wijzen​van handelen die de mens hierin laat overleven. De handelingen die eerst dienden ter ​overleving worden handelingen waaraan de mens gewend raakt, en welke hij uiteindelijk ​erkent als de normaliteit. Door te samenleven met de medemens verbreedt de mens constant ​zijn geest en daarmee ook de capaciteit om zich in theoretische ideeën te wanen en vrij na te ​denken. Dit geeft hem de mogelijkheid om die gewenning die hij normaliteit noemt een ​betekenis te geven, haar te beschrijven in een boek en hiermee de normativiteit de wereld in te ​brengen of haar te verheven naar een geheel nieuwe dementie, bijvoorbeeld door zich haar ​voor te stellen als een godheid.

​I. De verhoudingen tussen de mens, zijn geest en de wereld
​Al sinds een heel lange tijd denkt de mens na over zichzelf en zijn geest als dingen die ​afgezonderd zijn van de wereld waarin ze bestaan. Een filosoof die deze houding deelde, was ​René Descartes. Door een onderscheid te maken tussen het uitgebreide lichaam (in dit ​werkstuk duiden wij hiermee op alles wat niet deel uitmaakt van het bewustzijn: de wereld, de ​medemens en het lichaam) en het denken (ofwel het bewustzijn). Descartes scheidde deze ​substanties en ging hiermee naar onze mening in tegen een essentiële waarheid van het mens-​zijn. Namelijk dat de mens onlosmakelijk verbonden is met de wereld waarin hij leeft, en dat ​beide op geen mogelijke wijze afzonderlijk kunnen bestaan, zonder dat het mens-zijn verloren ​gaat. Ook Edmund Husserl merkte dit op, en bedacht hiervoor de begrippen natural attitude en ​phenomenological attitude. Hij legde uit dat de mens van nature geneigd is om dat wat hij ​observeert in de wereld aan te nemen als waarheid, of anders geformuleerd, om de waarheid te ​leggen in de materiële wereld en deze kenbaar te verklaren. Ook wij nemen een deel van deze ​houding aan inons werkstuk. Al is de menselijke geest vrij, alleen door het lichaam waarin het ​bewustzijn huist is hij verbonden met de wereld.

​De existentialistische filosoof Jean-Paul Sartre wortelt zich los van deze afhankelijkheid van de ​wereld. Hij presenteert de vrijheid van het denken als grenzeloos en al reikend door te stellen​dat de mens zich in ware kan maken tot wat hij wil: dat hij met zijn absolute vrijheid zelf zijn ​essentie kan kiezen. In onze theorie over de normaliteit delen wij een groot deel van de​voorgaande filosofie, maar keren wij ons ook tegen de opvatting dat de mens volledig ​afgezonderd van de wereld kan leven. Juist omdat wij zo vrij zijn om er over na te denken​kunnen wij onze betrokkenheid in de wereld niet verwerpen.

​II. De verhoudingen tussen de mens, zijn geest en zijn lichaam
​Zoals wij al hebben gesteld in de bovenstaande alinea, is het materiële deel van de mens, zijn ​lichaam, ook zijn enige poort naar de wereld waarin hij leeft. Het geeft hem zintuigen om zijn​bewustzijn de mogelijkheid te geven om zich ergens op te kunnen richten. Ook krijgt het ​bewustzijn van het lichaam instrumenten waarmee zij geluid kan produceren en hiermee kan​spreken tot andere mensen, waardoor de mens zowel zichzelfals de bouwstenen van zijn ​denken (ideeën en begrippen) kan vermeerderen en verfijnen. Het lichamelijke deel van de ​mens zorgt er ook voor dat het bewustzijn te maken krijgt met bepaalde behoeften. Wij hebben ​het hier niet alleen over louter lichamelijke behoeften (als voedingsstoffen, vocht en warmte)​maar behoeften die de geest in combinatie met het lichaam teweeg brengt: de vraag naar ​geestelijke gerustheid en voldaanheid van de ziel.

​De gevoelens die de mens heeft worden grotendeels mogelijk gemaakt door de herinnering aan ​warmte en aan stress. Omdat ons lichaam een plaats heeft waar de voor ons betekenis gevende​momenten kunnen worden opgeslagen als herinnering (namelijk de hersenen), kunnen wij ​verder leven en op een later moment weer geconfronteerd worden met deze momenten, en ook​met de gevoelens die deze met zich meebrengen. Dit is naar onze mening de algemene regel ​van de ontwikkeling van de mens: bij het handelen streeft hij naar datgene waarvan hij denkt​dat het zijn ziel het meeste warmte biedt. En dit is ook de manier waarop de normaliteit ​uiteindelijk tot stand komt: wanneer de mens tot rust gekomen is, omdat hij gegeten heeft,​gedronken heeft en veilig bij zijn medemensen zit, zal hij deze rust geleidelijk als maatstaf ​beschouwen, en daarmee de norm stellen voor goed menselijk gedrag.

​III. Het geschenk van het bewustzijn
​Meerdere malen in dit werkstuk hebben we geïmpliceerd dat het denken kan worden verfijnd ​en uitgebreid door voortdurend kennis te nemen van theoretische ideeën, gedachten en​begrippen. Als laatste willen wij uitleggen hoe dit proces zich verhoudt ten opzichte van de ​normaliteit. Zodra zij ontstaat zal de vrije geest nadenken over hoe hij haar een grotere ​betekenis kan ​geven. Hij zal misschien een geloof van haar maken, of een eeuwenoude ​traditie, of hij zal de normaliteit verklaren aan de hand van een wereld die de onze overstijgt. ​De menselijke geest is vrij in wat hij van zijn ideeën maakt, en zo is de normaliteit na een tijd ​al veel meer dan de goedkeuring die zij oorspronkelijk voorstelde.  

​2.2.2. Hoe verandert normaliteit?
​In het vorige hoofdstuk stelden we dat de mens voortdurend weer terug beweegt (of wil ​bewegen) naar de normale toestand, waarvan hij denkt dat deze de juiste houden ten opzichte ​van het leven is. Wat gebeurt er dan precies wanneer zijn samenleving hem teleurstelt? Wij ​concluderen het volgende: omdat de menselijke geest de neiging heeft om veel meer betekenis ​te verlenen aan de normaliteit, dan dat haar oorspronkelijk toebehoorde, zal hij haar nooit ​gelijk verwerpen. Ook al falen de gangbare systemen in het vervullen van zijn behoeften, hij​zal altijd proberen vol te houden tot zijn lichamelijke deel de overhand krijgt en hem een deel ​van zijn normaliteit laat afstaan, in ruil voor een opvatting van normaliteit die zijn lichaam wel ​in leven kan houden.