Search This Blog

Showing posts with label levensloop. Show all posts
Showing posts with label levensloop. Show all posts

Friday, 2 October 2015

On Rejection and Nihilism

There were, are and will be times in your life in which you will experience rejection. This in itself is a terrifying fact that we cannot escape, let alone know how the live with it and sharpen or norms to its bitter existence. 
And out of all states of mind, this one in particular bears a stingy feeling of discomfort with it. Just because of its so called destroying nature.
A sense of rejection is a state of mind that destroys hopes, aspirations and dreams. It is the grandfather of nihilism. The grieving mother that gave birth to a son it didn’t want. 
There's no denying every single one of humanity has faced rejection in some way or another. And how macabre it was to experience powerlessness. Trying but not achieving. That moving forward doesn’t guarantee that desired throne we wanted to sit upon while the a warm voice is saying: “You have done your best, my child. It was enough and more than worth it.”
And we, the gods of the new world, who reign over it behind our technological innovation, seem not to have accepted the power of defeat that so mercilessly has proven its existence over and over again to us through the centuries of failing. But that's no wonder, seeing our pride. 
And yet I ask you to remember, that one time in your life where you had shown the world your brilliance in the form of a talent you possess or by hard work. And how wonderful it felt to have finally talked yourself into being courageous. One final step forward and you would have reached your end. 

(I realise I am intentionally enlarging the situation, but only with the purpose that it will the more relatable. These general lines of experience are what every human goes through before the final blow)

And when the rejection finally does take place, it is not just the sense of judgment laid upon your act in itself that may stir your emotions, it is all that positive buildup from beforehand that suddenly collapses all together. And it falls and it crumbles, draining every bit of confidence and courage you had in mere seconds. And what you’re left with is angst, followed by an emotionless state of mind that’s too shocked to even comprehend what just had happened. 

This is rejection. So familiar and mind numbing it us.  This is the grandfather of nihilism. A crusher of ideals. The stone in our path that stops us from moving forward, not being able to look into the future. Yet it makes us regret looking back and hating ever having chosen this path. Imagine this for multiple times in your life. A path that stops halfway, yet being told that if you try hard enough one day you will reach your throne and you will comfortably reign over the worries of yourself and, if you’re idealistic enough, of humanity. This lie becomes the engine of your pursuit of happiness. What you’re left with is a huge nothingness. Nothing to move forward too, but to drained to even consider another way. So you sit there in the middle of the road. Stuck between two possible extremes. 

As a considerate reader you might have seen similarities to The Myth of Sysiphus by Camus, in which Sysiphus was doomed to eternally roll a rock up a mountain, just to see it tumbling down just as he reached the end. Let me elaborate on this. 
“Let us imagine Sysiphus happy”, Camus said. Let us imagine he is considering rolling up the rock as a life project in which he can still realise himself in some sort of form, by which he is not doomed to emptiness. That even in the most miserable situations it is possible to idealise oneself and to try realise that goal. 
Let me then pose the following contra-statement. Let us imagine, I say, that it is not a miserable place we live in, but that we are in paradise. That this society of empty consumption has realised itself into our paradise, in which we have no shortcomings. Complaining would be shushed. The habitants of paradise would be pointing at the damned burning in hell telling me: “But at least, you’re not them.” By which I would subject to this argumentum ad absurdum and nod in agreement. 
Imagine in this scenario that it is us living in paradise, but we are unhappy. There is little to nothing to achieve, that truly matters to our existence in the broadest sense. Things that would truly make us worse off by missing the chase of it or understanding the meaning of the word by true experience instead of false imagery. 
In this paradise everything exists before us. Clothes to the point of overproduction. Food, as much as our hearts desire to the point where obesity is our main health concern. Hostility towards our friends, because our eyes have been blinded by the bright heavenly light of wanting more and more, but not always being able to obtain it in such a human packed place. 
The voices keep telling us, that there is better to obtain, that we aren’t working hard enough, desiring hard enough, buying hard enough in order to obtain the obtainable. Namely, the thrones of the gods who are sitting above us, exclaiming that we should be grateful for the purpose they have presented in front of us. The purpose of becoming them and that rejection of this means wanting to burn in hell. 
The question that should be asked is this hypothetical scenario is, which of the places would I rather be? Is it paradise or hell? Paradise, where idealistic views will never be realised? Or hell, where you’re stepped upon for not ever being able to participate in this nonsensical game of so called self realisation? 
Having lived in paradise, having walked against many doors with false promises, rejection after rejection after rejection, it is no wonder that there would be some among us that would choose neither.
Thus stop moving forward. Letting everything drop and sigh dissatisfied over the flaws in the so immanent perfect paradise. 

Where is Sysiphus truly now that Camus has left him? Which gates have opened before him? Is Sysiphus even truly happy? But most important of all, what is he doing?  Sysiphus doesn’t live in a sort of hell, pushing the rock for eternity. He’s not happy. He’s in paradise, he’s unhappy with his rock besides him, sitting, doing nothing, but contemplating his suicide. 

Sunday, 13 September 2015

Empirisme vs Rationalisme


Als liefhebber van Plato neig ik ernaar de rationele weg de voorkeur te geven, omdat Socrates gelijk heeft dat de vergankelijke wereld een schijnbeeld van zekerheid kan opwekken bij de individu. Denk hierbij aan een stok die je in het water steekt, waarna een deuk in de stok gevormd wordt. In wezen is de stok recht en door te rationaliseren kom je logischerwijs ook op die conclusie.  
Ik betwijfel het bestaan van een Ideeënwereld die hij poneert, maar wat ik niet kan ontkennen aan het denkvermogen van de mens is dat wij inderdaad de gewenning hebben om waarneembare zaken te bestempelen met diverse labels. Iets is Goed, iets is Mooi, iets is Rechtvaardig, enz.  
Wat de reden hiertoe ook moge zijn, deze begrippen worden in het alledaagse leven gehanteerd, om een referentiekader te vormen voor ons wereldbeeld, hoewel je het Goede of het Mooie of het Rechtvaardige niet als op zichzelf staande begrippen kan aanwijzen.  
Plato heeft in de abstracte zin van ons waarnemen zeker gelijk, zou ik zeggen. De Ideeën bestaan, zij het niet enkel in ons hoofd dat enkel in ordeningen kan nadenken.  
De empiristen daarentegen hebben een aards beeld over de werkelijkheid en kunnen op die wijze een hogerstaande werkelijkheid afwijzen, waardoor de focus ligt op datgene wat het meest prominent aan ons voorhanden ligt, namelijk de materie en de werking daarvan.  
Het nadeel van deze methode is echter wel dat je enkel kan redeneren tot aan het beginpunt van de potentieel waarneembare werkelijkheid (denk aan The Big Bang) en tot aan de begrenzing ervan, waardoor je vastzit in een kader van zintuigelijke waarnemingen. 
Voor de empirist die een oorzaak der allen dingen afwijst, zal dit geen probleem vormen en zal hij genoegen nemen met die kader van de werkelijkheid.  
Echter voor de rationalisten in de wereld, die de beweegreden en oorzaak der ontstaan van dingen willen kunnen begrijpen, is dit niet voldoende. Dit ongenoegen noemde Plato al in de Phaedo.  
Tot gevolg dat wellicht de natuurkundige wetenschap volledig wordt afgewezen om een andere richting tot onderzoek te nemen.  

(Zie citaat) 
''Ik zou heel graag in de leer gegaan zijn bij om het even wie die me kon leren hoe het met zo'n oorzaak gesteld is. Maar die oorzaak bleef me verborgen: ik was niet in staat ze zelf te ontdekken en kon ze evenmin van anderen leren. (d) En zo heb ik dan bij het zoeken naar een oorzaak het over een andere boeg gegooid.'' 

Goed, we hebben dus twee uitersten geconstateerd in het dialoog. Eentje van het ultiem empirisme dat enkel de oorzaken van de werkelijkheid op zich behandeld, dat wil zeggen een descriptieve uitleg van de wereld, dat enkel zover gaat als de waarneming toelaat.  Vervolgens eentje die de wereld omvat in een weerspiegeling van een absolute werkelijkheid, wat men rationalisme noemt.  
De voorkeur die ik geef baseer ik op het idee dat er in beide ideeën een kern van waarheid existeert, dat zichzelf op een dusdanige manier moet ontwikkelen waardoor de botsing opgeheven wordt.  
Het empirisme bakent de werkelijkheid wegens natuurkundige principes af, wat logisch is wanneer je realiseert dat de mensheid zelf deel uitmaakt van die genoemde werkelijkheid. Ik zie het als gegeven dat wij binnen deze vier muren van waarneming gelimiteerd zijn om kennis te hebben over de zaken zoals ze op zich zijn. Bestaan in deze wereld staat gelijk aan deel uitmaken van deze wereld. Het overstijgen is lastig en misschien onmogelijk, want hoe hard we het proberen ook aan ons gelden de natuurkundige wetten.  
Maar daarentegen beschikt de mensen over een rijk, die zich wellicht ontleent aan de empirische werkelijkheid, maar zich niet ertoe limiteert.  
De fantasie. Een plek die ik zie als broedplaats voor de nieuwsgierigheid, waardoor de mens zich aan het dierlijke onttrekt en vormgeving geeft aan zijn individu.  
En in hier meen ik dat de rationaliteit het meest te pas komt. Het empirisme mag dan wel de werkelijkheid in formules en descripties beschrijven, het rationalisme verfijnt het op een dusdanige manier dat het aan de mens een reflectie vormt van zijn positie in de wereld en hoe hij ermee om kan gaan.  
Twee methodes die gepaard moeten gaan om ons te helpen bestaan.

Thursday, 26 March 2015

Dwang tot bestaan.

Dwang tot bestaan.

Het was nooit aan ons de keuze geweest om geboren te zijn in de eerste plaats.
En dat voornamelijk in deze wereld, waarin de afwezigheid van God meer dan ooit merkbaar, voelbaar is.
Zowel in de morele zin, waarbij Gods wil de grondbeginselen bepaalt voor onze ethiek, als in de praktische zin van het woord, waarbij hij de eeuwige waarheid met zich mee zou moeten dragen om de mensheid tot consensus te laten komen, is God of afwezig of indifferent.
Dat brengt een bepaalde sfeer van leegte met zich mee, waarbij ik niet enkel alleen op mezelf moet steunen, maar daarbij ook nog eens niet de steun bij een hogere macht kan vinden.
Eenzaam en koud, verward en leeg worden we de wereld in geworpen tussen andere soortgenoten, die het pad des levens in zoverre bewandeld hebben dat ze denken te kunnen oordelen over ons recht van bestaan.
Met andere woorden, de mens acht zich in dermate hoog genoeg om voor God te spelen en uit de weinige beschikbare middelen leven te doen ontstaan.
Of dit besluit bewust of onbewust is genomen, het zet een brandmerk op het kind waar het nooit vanaf zal komen.
Immers in deze dat hij, eenmaal geboren, gedwongen is te leven om daarna oftewel verder te leven of er al geheel een eind aan te maken.
Hoe het ook zij, mocht het kind toch een eind willen maken aan zijn leven, dan is hij in dermate impotent om daar een keuze over te maken, voordat hij zichzelf zo heeft ontwikkeld dat hij weet wie hij is en wat hij betekent voor zowel zijn omgeving als voor zichzelf.
Tegen die tijd is er enkel slaafse dwang van zijn omgeving, waar hij voor neer dient te buigen door zijn onvermogen de wereld en zichzelf te kunnen begrijpen.
Daarnaast heeft hij, geworpen in de wereld, geen andere keus dan dit te doen, omdat hij volledig vrij is geboren.
Daarmee bedoel ik dat hij de mogelijkheid heeft om zichzelf te maken tot iets wat hij later wil zijn.
Het problematische hieraan is, is dat zijn vrijheid beperkt wordt in de eerste levensjaren omdat hij nooit het vermogen had om zijn omgeving a priori tot zich te nemen en daar een keuze over te maken.
Nee, in de eerste levensjaren wordt het kind op marxistische wijze ingevuld met informatie, indrukken en geluid, gevoelens en vormen, waarna hij later een geheel kan gaan vormen.
Inderdaad is de mens vrij geboren, misschien is hij wel iets te vrij geboren waardoor het zijn indrukken aan de ander kan opleggen.
Het paradoxale hieraan is dat het kind enerzijds niet de mogelijkheid heeft zichzelf in te vullen omdat hij de wereld in is geworpen en anderzijds het noodzakelijk is dat hij ingevuld wordt omdat hij anders zichzelf niet verder kan realiseren.
Problematisch gezien levert dit het probleem op dat de mens eenmaal de keuze gemaakt hebbend in zijn leven, nooit de keuze kan keren en dus ook de consequentie ervan tot zich moet nemen omdat hij juist gedoemd is zo vrij te zijn.
Vreemd genoeg draagt de mens ook de invulling van zijn omgeving, die hij in zijn eerste levensjaren heeft verworven met zich mee en de daarbij komende consequenties.
Daar ontstaat de dubbelzinnigheid.
Enerzijds dat zijn jeugd bepalend is voor zijn latere levensjaren en voor de beperking aan keuzes die hij voorgelegd krijgt.
Anderzijds als het kind niet ingevuld wordt, , zodra de invulling van deze vrijheid niet begint, zodra de keuzes niet worden gemaakt waarmee hij zijn eigen essentie bepaalt, is hij paradoxaal genoeg een slaaf aan zijn eigen bestaan.
Hij stopt met existeren (dat wat de mens bestempelt tot mens!) en hij reduceert zichzelf tot een object.
Niet alleen jegens zijn omgeving, maar het meest jegens zichzelf.


De mens gedefinieerd

Gedwongen te bestaan leeft een mens nooit in isolatie, maar altijd te midden van andere lotgenoten.
De mens gedefinieerd hebbend als een behoeftig dier, is het er altijd op uit om zijn onderbewuste driften tot hun recht te laten komen.
Hierbij is het vaak niet bewust van zijn driften, totdat het in het bewustzijn vertaald wordt zodat het doel makkelijker behaald kan worden, niet door dierlijk instinctieve reflecties, maar door redelijk nadenken.
Tot deze behoeftes behoren de meest basale, zoals hongerdrift en seksuele ladingen dat tot hun climax moeten komen, zodat de mens weer terugkeert in een toestand van rust.
Wat de mens niet tot dier kan laten worden is het aspect dat zij door hun zelfbewustzijn een bepaalde weg kunnen afleggen om deze gedeelde driften tot ontlading te laten komen.
Dit creëert de persoonlijkheid.
Doorgaand op het zelfbewustzijn; het zelfbewustzijn is datgene wat de mens in staat stelt om zichzelf te verhouden tot zichzelf en zijn omgeving.
Sartre duidt dit aan met être-pour-soi, wat inhoudt dat de mens een zelf-creërende subject is dat zijn eigen essentie maakt door te streven naar het être-en-soi.
Het être-en-soi is datgene wat helemaal met zichzelf samenvalt, dat houdt in dat je jezelf niet meer creëert, maar zoals een God al volledig bent.
Het tegenstrijdende hieraan is dat je als mens nooit dit stadium kan bereiken omdat je gedoemd bent hierin te falen.
Deze wisselwerking vormt de speelruimte waarin de mens een subject is te midden van vele andere objecten die hij gebruikt om zichzelf te creeëren.
Er zit geen happy ending aan elk falen. De happy ending zit hierin dat je niet meer kan dan leven, punt.
Daar zit het hele leven in besloten. Namelijk dit, dat je alleen maar kan leven met zowel de goede als de slechte momenten.
Er komt geen daarna meer, er zit geen bedoeling in, omdat die bedoeling nooit in de wereld lag.
De objectieve buitenwereld functioneert enkel en alleen volgens de natuurwetten waaraan we ons niet kunnen onttrekken, het kent geen morele waardes, noch gedragsregels.  
Dit houdt in dat elke vorm van goed, slecht, mooi, lelijk of elke andere abstract begrip dat we aan de werkelijkheid toepassen enkel iets is wat binnen in onze hoofd bestaat, in onze wereld.

Voorwoord- Uitleg

Dit abstracte verhaal representeert de gewaarwording.
Het was nooit aan ons de keus geweest om in de wereld te zijn geworpen. Dat ik niet alleen een subject ben, maar dat iedereen een subject is, hoewel deze functie nooit zichtbaar tot zijn recht komt.
Zo meende ik eerst dat ik de mens zelf verafschuwde vanwege zijn objectivisering van de zelf.
Vervolgens stemde ik hiermee in en ging ik mezelf proberen objectiviseren, wat in hield dat je weigert om je eigen leven in te vullen, maar dat je jezelf bloot legt voor de wereld om te doen met je wat ze willen. Door daarbij passief te zijn in je existentie in plaats van actief en zelfbewust van elke handeling de consequenties te aanvaarden.
Oftewel stoppen met mens zijn.
Hoe hard ik toentertijd om te kunnen krioelen tussen de anderen, mijn poten waren enkel armen die konden grijpen naar een pen om de frustratie weg te schrijven.
Poëtisch braaksel noem ik dit ook wel.
Ja, ik merkte dat ik gek, gestoord, krankzinnig was, maar dat veranderde weinig aan hoe de realiteit op zichzelf was.
Alcohol kon deze fase verdrinken, maar het veranderde nog steeds weinig aan de realiteit.
Want zodra het eerste omhulsel gekraakt was (dacht je) van je medemens, wist je bij god niet welk van de twee lichamen de persoon was die zichzelf in de wereld positioneerde.
Sterker nog, weet de medemens zelf wel welk van de twee hij is of zijn ze allebei twee kanten van een mes waarmee ze in hun vleselijk bestaan snijden?
Nee het leven is niet lijden door andere mensen.
Het was lijden door de schijn van andere mensen, die zich bewogen van het mens zijn naar het dier-zijn, waarbij ze zekerheid verwierven over hun bestaan, maar steeds minder mens werden met deze dodelijk beslissing.
Had Nietzsche ooit gezegd dat God dood was, dat wij Hem hebben gedood, dan kan ik nu mededelen dat die kruistocht nooit is opgehouden, maar enkel is opgeschoven naar het uitmoorden van de mens.
De mens is stervende en dat hebben wij gedaan.
En de vraag over het nog te redden is nog maar de vraag, omdat ik me afvraag of we ooit mens waren geweest.
Het doorbreken van de pantsers zegt weinig over de echtheid van de binnenkant, waarbij de binnenkant twee kanten van dezelfde munt kunnen zijn.
En zoals ik, hebben velen onzekerheden in het leven, die ze verbergen met deze dubbelzinnigheid.
Wie ben ik echt? Wat wil ik eigenlijk? Ben ik momenteel niet gewoon een marionet die, zodra het losgeknipt wordt van de poppenspeler, uit pure wanhoop en ongemakkelijkheid zal proberen om de touwen aan elkaar vast te knopen? Wil ik keuzes maken en vrij zijn of wil ik in de zogenaamde structuur leven die ik tot vanzelfsprekend heb gemaakt, maar die wel mij een begin en eindpunt geeft in het leven?
Voor mij lijken de pantsers van de insectenlichamen waarin we onszelf opsluiten af te vallen.
Er is geen objectieve houvast, enkel de illusie van structuur in wat in onze categoriserende ogen lijkt op structuur.
Dit creëert wat ik aanduidt met het begrip neo-solipsisme. Dit is een stroming dat aansluit bij het filosofisch scepticisme, dat je nergens helemaal zeker over kan zijn.
Dit komt voort uit het idee dat niemand in de objectieve wereld leeft, maar in zijn eigen geest.
De objectieve wereld treedt door het subjectief filtertje heen en construeert hem op deze wijze. Dit toont aan dat de mens alles wat hij uit zijn omgeving haalt om zichzelf te construeren nooit waarneemt als Ding an sich, maar altijd als een Ding für sich.
Ieders leven is op die wijze geconstrueerd op indrukken, schijnen van de werkelijkheid.
Deze verschijnen zullen ook nooit en te nimmer zijn geest verlaten, maar in de bewegingsruimte van zijn vrijheid de invulling vormen voor de latere keuzes die hij zal maken in het leven.
Op die wijze leeft hij nooit in de wereld, maar altijd in zichzelf. In zijn eigen wereld.



Parodie Sociaal-Realisme op Gorki

De leerling

Door: De Bittere

Gebukt onder misère met zijn ogen geworpen op de grijze hemel sjokt onze held richting huis om dezelfde maaltijd te nuttigen als de afgelopen drie dagen. 
De spieren stijf van slaaptekort en de vingers vies van de as en het roet sluit hij dicht tegen de groep somber kijkende leerlingen aan. Hun schouders hangen omlaag, diep in de kragen verscholen en met zware tred verzetten ze de ene voet na de andere hierbij een diep spoor achterlatend in de grijze natte sneeuw.
De school braakt met veel stoom de leerlingen uit, die na hun machinale functie vervuld te hebben terugkeren om de volgende dagen deze functie opnieuw te vervullen. 
Geïrriteerd en minachtend gebrom is te horen te midden van de leerlingen, nadat ze hun hoofden wegdraaien van de laatste bel, die scherp te horen is als indicatie van hun tijdelijke vrijheid.
De dag is voorbij en de zon gaat langzamerhand onder en terwijl dit gebeurt verandert het geïrriteerde gebrom in warm geroezemoes.
De schoolbanken hebben de energie van onze scholieren weggezogen en met bezwete voorhoofden tonen ze blijmoedig en hongerig elkaar hun glimmende tanden druipend van het kwijl. Het avondmaal kan genuttigd worden.
Na vele jaren intensieve arbeid, hebben de meesten scholieren er vrede mee gesloten dat er geen ontkomen aan de zware onderdrukking van de docenten is en dat elke stap die ze nemen om de dag tot een eind te brengen, een stap dichter bij het graf is.
Op enkele dagen echter, wordt de met Axe volgespoten mannenkleding vervangen door een net pak en krijgen de vrouwelijke scholieren de gelegenheid om hun haar los en charmant krullend te dragen.
De jaren in de schoolbanken hebben onze held beroofd van zijn eetlust en zin tot drank, maar wanneer die lust eenmaal werd aangewakkerd door de soms gunstig gezinde docenten, dan konden de scholieren de door woede brandende magen blussen met alcohol op eindfeesten.
Andere dagen, buiten de school om spreken de leerlingen op serieuze toon met elkaar. Nooit afwijkend van de cijfers en datgene wat zich het meest prominent manifesteert in hun bestaan: de fysieke inspanning die dag in dag uit geleverd moet worden aan de grootbuikige schooleigenaren.
Zelden doorbreekt een glimlach hun monotone manier van spreken. En wanneer dit gebeurt, is het de agressie die zich thuis afspeelt tegen de jongere broer of zus dan wel de ouders die het wagen te vragen hoe hun dag was.
En deze levenswijze volgt de volgende generatie als een schaduw achterna, onlosmakelijk verbonden met henzelf.
En na zo vijfenzestig jaar geleefd te hebben, sterft men de gelukkige scholierendood.
Zo ook zou onze held geleefd hebben, als trouwste werker van de school.
Hij is het knapst, het sterkt en het meest intelligent. Desondanks in zichzelf gekeerd en respectloos tegenover elk gezag. 
Zo gebeurt het op een dag dat hij toevalligerwijs een humeurige medescholiere tegenkomt die een snauwende opmerking maakt betreffende zijn kledingdracht.
Scherp en oneerbiedig als hij is, bijt hij deze nors kijkende dame van zich af, maar waarvan hij zich niet los weet te wrikken. is het idee van de onderdrukking dat hem is aangepraat.
Zie je, vroeg hij zo zichzelf, het is niet alleen ik die zo gekleed is en gebukt gaat onder het regime van de school. Het is het ook de medescholiere zelve die haar frustratie uit door haar tekort aan voldoening, aangezien iedereen en allen hetzelfde is gekleed. In de Abercrombie en Fitch mode.
En zo valt hem de ene nors kijkende scholier op na de ander, de scholieren die als een groep wolven klaar zijn om het gezag omver te werpen.
Onze held weet vanaf dit moment wat hem te doen staat.
Hij zal  zich ontrukken aan de schaduw die hem als achttien jaar lang volgt. Deze keer zal hij de school tonen wat het betekent om gezamenlijk het goud te onttrekken van de leraren en als een gezamenlijk genootschap erboven op te zitten.
Zo is er een vuur in hem aangewakkerd, waarna hij zich een weg baant door de dikke pak sneeuw en met gestrekte armen tot de grijze hemel roept:
‘Kameraden. . .’ hij is nog maar net begonnen met zijn zin of de medescholieren pakken hun mobiele telefoons om het spektakel te filmen.
De moed zakte hem in de schoenen en hij laat zijn schouders zuchtend omlaag hangen, diep in de kraag verscholen en met zware tred verzet hij zijn ene voet na de andere, hierbij een diep spoor achterlatend in de grijze natte sneeuw.






Saturday, 26 July 2014

Essay: Helder Inzicht

Helder inzicht.

Van de kindertijd af wordt het kind in een wereld geplaatst waarin de omgeving een cruciale rol speelt in hoe het kind de wereld op latere leeftijd zal ervaren en zal beoordelen.
De vraag die ik aan de kaak wil stellen is of je een mens het recht mag geven om te oordelen over het bestaan van een ander en hoe deze subjectieve interpretatie tot stand kan komen.

De mens komt naar mijn mening niet als een tabula rasa (een leeg blad) op aarde.
Het is een ervaren geest, afkomstig uit het meest geniale wat er aan substanties te vinden is.
Dit substantie zou ik graag de oer-wil willen noemen.
Deze oer-wil bestaat enkel en alleen in de transcendente wereld, dat wil zeggen in hetgeen wat wij niet kunnen waarnemen omdat onze visie belemmert wordt door de scheiding van de twee werelden.
Overigens kunnen op deze manier net zo min de objectieve wereld ervaren, omdat alles vanuit een subjectief bewustzijn wordt geïnterpreteerd, waardoor je je kan voorstellen dat het lichaam de tempel is en de oer-wil hetgeen is dat aanbeden wordt door onszelf, omdat het ook binnen in onszelf bestaat.




In deze oer-wil zit alle kennis die wij vergaard hebben in de levens die we hebben gehad en nog hebben.
Het is een grote massa dat enkel op zichzelf bestaat en omwille van een ding bestaat:

Ervaren.

Deze oer-wil zit in elk object dat er is te vinden.
Van de grootste ster in het universum, tot de kleinste mier die onder de stenen van de Afrikaanse jungles leven.
Het wil enkel en alleen ervaren omwille van het ervaren zelf. (Oftewel intrinsiek.)
Wij hoeven hier geen lessen te leren, maar enkel te begrijpen dat alles wat ons overkomt een manier is om onszelf te ervaren.
En in deze context staan onszelf en de oer-wil gelijk aan elkaar.
Immers, een gedaante kan nooit vanuit een ander perspectief zijn eigen gedaante en gezicht ervaren; daarvoor moet men een spiegel voor zijn gezicht houden en op deze manier zal de gedaante begrijpen hoe hij eruit ziet.
Wat gedrag betreft kan je ongeveer inschatten hoe jezelf in elkaar zit, maar is er wederom de zogenaamde ‘spiegel’ nodig, dit is dan in de vorm van de Ander die jouw kan uitleggen hoe je overkomt.
Dit is dan ook de reden waarom de oer-wil zichzelf een spiegel voorhoudt.
Zonder doel, alleen intrinsiek ervaren.
Als iemand zegt dat we hier komen om iets te leren van ons bestaan, dan redeneert hij als volgt:
We zijn geboren om iets te ervaren wat we eerst niet wisten. Het heden waarin we nu leven geeft ons de optie om iets wel te leren. Op het punt dat we dood gaan, dan hebben we het geleerd en weten we het nu ook.
De nuance wat tijd betreft is erg voelbaar in deze redenering.
Het feit dat iemand aangeeft dat je iets moet leren, geeft aan dat het er eerst niet was en daarna wel.
Dit is dus niet het geval, dus kan je ervan uitgaan dat we enkel hier zijn om ervaringen rijker te worden en het bestaan te omarmen.
Met andere woorden, schrik niet voor wat het leven je biedt, geniet ervan voor de onbenulligheid of de grootheid van wat hij op dat gegeven moment is.
Er zal immers nooit iemand op deze wereld zijn, die op dat punt dat moment met jouw subjectiviteit ervaart.

Doorgaand op de hoofdvraag, kunnen we nu met deze theorie erop verder gaan.
Een mens wordt geboren en dat geboren worden is het scheiden van die oer-wil, wat het transcendente is naar een ervaringswereld van die persoon zelf, het subjectieve.
Dit subjectieve is aan ieder gegeven en kan nooit vergeleken worden omdat we om iets te beoordelen het op gelijke maten moeten beoordelen.
Als twee mensen verschillende brillen op hebben met beide verschillend gekleurde glazen, dan zullen ze nooit het erover eens kunnen worden dat hetgeen wat ze zien hetzelfde is.
Goed ze zien beiden een stoel, maar wat ze zien is het object op zich.
De een zien de stoel als een rode stoel.
De ander ziet hem blauw.
Vergelijk je deze theorie met onze huidige samenleving, dan is er een overeenkomst te herkennen.
De conflicten en of meningsverschillen die ontstaan omdat men niet in staat is zijn subjectiviteit te overstijgen en zo een objectief oordeel te vellen over een bepaalde situatie.
Ik bedoel daar niet mee dat dit iets slechts is.
Wat er fout aan is, is het feit dat men zich er niet bewust van is dat het een gekleurde bril op heeft.

Iedereen komt met zo’n gekleurde bril ter wereld, maar de vraag is hoe dit beïnvloed kan worden.
Het moment dat het kind de witte muren van het ziekenhuis ziet en de arts die z’n navelstreng doorknipt, is het al beïnvloed door de omgeving van buitenaf.
Het subjectieve dat hij bezit wordt gestimuleerd en verdraaid door de mensen van zijn omgeving.
Een kind dat opgroeit in een familie waarin schreeuwen de beste manier is om de aandacht te krijgen, zal dit in z’n onderbewustzijn bewaren.
Hij hoeft er niet direct mee iets te doen,  later kan die zich zelfs van dit soort gedrag afzetten.
Maar het ervaart, dat is zeker en het slaat informatie op.
Langzamerhand groeit hij op en heeft tot nu toe enkel van z’n ouders informatie verkregen over een van de vele manieren om een leven te leiden en jezelf op te stellen naar de buitenwereld.
Z’n visie wordt vergroot naarmate hij meer mensen leert kennen, die hem het alternatief leren.
Hij slaat alle informatie op en ervaart het, soms probeert hij het ook uit om te kijken wat voor reactie het opwekt van de anderen en vanuit zichzelf.
Je zou kunnen zeggen dat hij als het ware in een mal wordt gegoten.
De mal dat wordt gecreëerd door de mensen om hem heen.
Hij moet echter niet vergeten, dat hij zelf de keus heeft om in een bepaalde mal te stappen of de informatie over te nemen en zo zijn eigen mal te vormen.
Deze ervaringen ziet uit vanuit zijn subjectieve.
Twee mensen die in een streng opvoeding hebben gehad, zien dit vanuit hun eigen subjectiviteit hoewel ze allebei precies hetzelfde hebben ervaren,
Het is dan aan henzelf om er iets mee te doen. Je zal nooit honderd procent in zijn ervaringswereld kunnen treden om te kunnen begrijpen op welke manier dit proces is verwerkt in de wonderlijke machine dat bekend staat als het psychologische en het subjectieve.



Sunday, 6 July 2014

Short film scenario: 'Red Lines'







Red Lines
Sara Rahimi
















Copyrights 2014
Sara Rahimi










1.Op het dak.- Namiddag

Xavier (27) een man van eind 20. Hij heeft een mager postuur, lang haar valt voor zijn ogen en hij heeft een ingevallen gezicht.
Hij staat op het dak van een vervallen gebouw.
Het is een koude herfstdag. Hij draagt enkel een dun shirt, op zijn armen zijn blauwe plekken te zien.
Hij loopt heen en weer. Over de reling ziet hij dat hij op 5 verdiepingen hoog staat.
Hij lacht en draait zich om en beweegt langzamerhand terug naar de reling.
Hij fluistert zachtjes in zichzelf:
’10 verspilde jaren.’ Hij draait zich om en loopt terug naar het begin van de reling.
‘3 kapotte relaties.’ Hij draait zich om en loopt verder.
Hij lacht. ‘5 dode goudvissen.’
Hij stopt en kijkt naar beneden. Glimlachend sluit hij zijn ogen.

‘Maar één sterveling minder.’ fluistert hij en laat zijn voet over de reling gaan.
Het wordt zwart en je hoort een hard dof geluid.  

2. In het verlaten gebouw.- Tijdstip niet duidelijk. (Waarschijnlijk middag.)
Xavier ligt op de koude vloer en hij staat op.
Hij is gekleed in het wit.
Hij loopt de ruimte in en kijkt verdwaald om zich heen.
De grond is bezaait met rode draden en spijkers die zig zag door elkaar heen lopen.
De spijkers zijn de grond in geslagen en rode draden zijn gespannen aan de top.
Deze draden lopen in elkaar over, maar zijn niet verstrikt.
Hij hoort geluid.
Hij loopt ernaartoe en ziet een gestalte spijkers uit de grond trekken met een hamer.
Enkel de rug is zichtbaar, hij is eveneens in het wit gekleed.  

X
Hallo?

Hij loopt naar voren.

X
Hallo? (nu harder)Zou je me kunnen helpen? Ik weet niet wat dit is, waar dit is.

Hij raakt de rug aan van het gestalte.
Het gestalte draait zich om.

Yvan (ook 27) lijkt qua postuur en gezichtsvorm enorm op Xavier. Het enige verschil is de kleur.
Y heeft wit haar, grijze ogen en een bleke huid. Hij zit op de grond spijkers uit te trekken uit de harde vloeren. Om de spijkers zijn lange stukken rood touw gespannen. Ze lijken van ver te komen en zelfs het gebouw uit te lopen.

X verstijft en zijn ogen worden groot en het zweet staat hem op de voorhoofd van schrik.
X
Wát ben jij?
De trillingen in zijn stem zijn te horen.

Y merkt hem op en glimlacht in zijn richting. Hij heeft een warme uitstraling.
Hij trekt een spijker uit de grond en geeft een ruk aan de rode draad.
X zakt opeens in elkaar van pijn en begint te schreeuwen.
Y kijkt naar X die op de grond vergaat van de pijn.
X kijkt vol woede naar Y.
Y pakt de hamer en slaat een spijker in de grond.
Uit zijn zak haalt hij wat zilverkleurig draad en spant deze om de spijker
De uiteindes worden gebonden met het afgebroken stuk rode draad.

Y staat op en loopt naar X, bij wie de pijn is verdwenen.
X kijkt en zwijgt, hij begrijpt niks van de situatie.

Y

‘Verdween je maar in de stof waaruit je geschapen was, dan had ik mijn handen niet zo vol aan je.’
X

‘Waar heb je het over? Wat zijn die draden? En wat was die pijn? Ik wil nú antwoord.’

Y pakt X bij de arm en beiden staan ze op.
Y loopt naar het raam gevolgd door X, die hem voorzichtig achternaloopt.
Ze kijken uit het raam. Ze zien een koppel. Beiden hebben een lange draad aan hun schoenen hangen. De draad ligt in een knop tussen hen beiden.
Y
‘Het menselijk leven is erg makkelijk in elkaar te verwikkelen. Je hoeft enkel een hamer te pakken, op strategische plekken wat spijkers in te slaan en de roden draden. Ach, de rode draden. Die doen de rest.’

X kijkt verwonderd naar het stel en naar de draden die overal lijken te liggen.

X
‘Wat zijn dat?’

X wijst naar de spijkers in de vloer en de rode draden.

Y draait zich niet om meteen begrijpend wat X bedoelt.

Y

‘Dat is je begin en eindpunt. Jouw oerknal en jouw supernova.’

X
‘Mijn supernova?’


Y

‘Dat is waaruit ik of eerlijk gezegd de ik die in jou zit, het leven bepaalt. Van begin tot eind. Van oerknal tot gedoofde ster.’

X
‘Jij bent mij?’
Y

‘Nee. Enkel een deel. Het egoïstische verlangende deel, dat wil voorkomen dat je niet doet wat je wilde doen.
Dat was niet wat ik, of eerder jij wilde.’

X
‘Wat bedoel je? Wat wilde ik niet?’
Y
‘Ik bedoel de dood. Dat wil jij niet. Ik wil dat niet.
Ik moest noodgedwongen een naald uit de grond trekken die er niet uit moest.
Jij hoort niet dood te gaan, X. Wij horen te leven. Dat is hoe de draden lopen.’

X
‘Ik hoor niet dood te gaan zeg je? Wat als ik dat nu zelf wil? Wat als de verdomde draden van jou mogen verbranden voor mijn part?’

Y
‘Daarom ben ik hier. Toon me je verlangen. Laat me zien hoe graag je het wilt. Jij en niet een ander die jou zijn wil toeschrijft. ‘

Y drukt de hamer in de handen van X die er wazig naar staart.

Y
‘Trek ze eruit. Langzaam. Let erop. Wel langzaam, anders doet het pijn.’

X kijkt in de richting van de zilveren draad dat van hem is. Verbonden met de rode draden van de mensen die hij ooit had ontmoet.
Hij denkt terug aan zijn leven.
Zijn jeugd vol ruziënde ouders.
Zijn schoolleven waarin hij alleen was.
Zijn relaties die uitliepen op vreemdgaan of die hem verlieten.
X’s tranen druppelen op de hamer.
Hij haalt diep adem en kijk naar Y die hem toelacht.
Langzamerhand legt hij de hamer weg en kijkt naar de enorme knoop.
Hij gebruikt zijn vingers om de knopen eruit te halen.
Langzamerhand komt de zilveren draad los van de rode draad totdat hij los is van de rest.
Hij stapt achteruit en kijkt naar Y.
Met rode ogen glimlacht hij naar Y.
Alles vervaagt naar zwart.







3.Op het dak- avond.

X wordt wakker op het dak, ver van de reling af.
Zijn blauwe plekken zijn verdwenen en hij stopt even om zich te herinneren wat er was gebeurt.
Hij tuurt vanaf de reling naar beneden en ziet de hoe hoog de 5 verdiepingen zijn.
Snel maakt hij zich uit de voeten en loopt voldaan weg van de reling.

Er wordt ingezoomd op de rode draden die aan zijn gympen losjes bungelen.